Wil de echte conservatief opstaan?
Stefan Paas over conservatieve waarden
Conservatisme beleeft een opvallende comeback. De stroming wordt populairder onder jongeren en opiniemaker Wierd Duk maakte recent bekend een conservatieve beweging te starten. Maar wat betekent het eigenlijk om conservatief te zijn? In dit essay verkent theoloog Stefan Paas waar het conservatisme vandaan komt, welke waarden het verdedigt – en waarom veel zelfverklaarde conservatieven die traditie juist verloochenen.
Het hek van Chesterton
Twee wandelaars lopen op een zandweg door de weilanden. Dan komen ze bij een hek. Het oogt oud, verweerd, versleten. Zo te zien wordt het al een hele tijd niet meer gebruikt. Je kunt er gemakkelijk omheen lopen, dus functioneel is het ook niet. Het ziet eruit alsof iemand is vergeten het weg te halen, lang geleden, toen het ophield nuttig te zijn. De ene wandelaar zegt: ‘Het wordt tijd dat iemand dat hek weghaalt; het staat alleen maar in de weg’. De andere antwoordt: ‘Dat hek is er niet voor niets neergezet. Ik zou eerst uitzoeken waarom het hier überhaupt is neergezet. En vervolgens waarom het er nog steeds staat. Als je het antwoord weet op die vragen, dan kun je het misschien weghalen’.
De Engelse journalist G.K. Chesterton (1874-1936) gebruikt dit voorbeeld om het verschil uit te leggen tussen een conservatief en een progressief persoon. Het ‘hek’ staat in zijn voorbeeld voor de een of andere regel of wet waarvan de progressief het nut niet inziet. Denk aan de vraag waarom abortus nog altijd in het strafrecht zit. Of aan de vraag waarom we hier in Europa zulke strenge wetten voor ondernemers hebben, heel anders dan in Amerika. De conservatief is in dit voorbeeld iemand die waarschuwt: verander iets niet voordat je heel goed begrijpt waarom het ooit is bedacht en waarom het nog steeds bestaat.
Het conservatieve moment
Conservatisme is momenteel het gesprek van de dag. Jongeren schijnen volgens onderzoeken weer ‘conservatiever’ te worden. In Amerika is een ‘conservatieve’ regering neergestreken in het Witte Huis. ‘Conservatieve’ partijen als de BBB, PVV, FvD en SGP zitten in de lift. En in Nederland is Telegraaf-columnist Wierd Duk een ‘conservatieve’ beweging begonnen, samen met een producent van geenszins conservatief damesondergoed (Marlies Dekkers). Het roept afschuw of enthousiasme op, afhankelijk van aan wie je het vraagt.
In de bovenstaande zinnen heb ik ‘conservatief’ tussen aanhalingstekens gezet. Dat komt omdat de term tegenwoordig wel heel losjes wordt gebruikt. Zijn Wierd Duk en Donald Trump echt conservatief? Of Mona Keizer en Caroline van der Plas? Het voorbeeld van Chesterton hierboven suggereert dat er misschien toch wat meer over te zeggen is. Immers, als er iets is wat je kunt zeggen over Trump, Keizer, Van der Plas, of Duk, is het dit: ze willen nogal veel hekken weghalen. Regels die het bedrijfsleven inperken, stikstofnormen, internationale verdragen over vluchtelingen, de grondwettelijke godsdienstvrijheid en vrijheid van onderwijs, de onafhankelijkheid van de rechtspraak. Het wordt allemaal bekeken alsof het een oud, verweerd hek is dat zomaar ergens staat te staan. Het heeft geen nut en het hindert onze plannen, dus weg ermee!
Heel conservatief klinkt dat allemaal niet.
Schaken met zwart
Maar wat is conservatisme dan wel? De wortels ervan liggen in de tijd van de Franse Revolutie (eind achttiende eeuw), toen de Brits-Ierse politicus Edmund Burke (1729-1799) een boek schreef, getiteld Reflections on the Revolution in France (1790). Burke was zich rot geschrokken van de orkaan van bruut geweld die het gevolg was van de opstand in Frankrijk. Het bracht hem tot een inzicht dat altijd typisch is gebleven voor conservatieven: je kunt met de beste bedoelingen enorme verwoestingen aanrichten. Zeeën van bloed worden gevuld vanuit edele en nobele motieven. Daarom moet je een samenleving niet alleen beschermen tegen opzichtig kwaad, maar juist ook tegen een overdaad aan goede bedoelingen.
Burke is beroemd geworden om zijn stelling dat democratie nooit alleen een kwestie is van degenen die nu leven. In een democratie moeten ook de gestorvenen ‘stemmen’ en degenen die nog niet geboren zijn. Met andere woorden: bij het nemen van politieke besluiten moet je niet alleen letten op wat volgens de meerderheid van de nu levende burgers goed is om te doen, maar je moet daarin meenemen dat je voorouders niet gek waren en dat alle besluiten die je neemt ook impact hebben op toekomstige generaties. Juist mensen die bevlogen zijn door hoge idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap kunnen dat weleens vergeten. Voor hen staan de voorouders al snel symbool voor achterlijkheid. We leven niet meer in de middeleeuwen! En zij kunnen zich niet voorstellen dat hun achterkleinkinderen hen straks net zo achterlijk vinden. Maar wij leven vandaag in de middeleeuwen van overmorgen.
Het minste wat je kunt zeggen van conservatieven is dus dat ze niet te snel willen veranderen. De Britse journalist Edmund Fawcett schrijft in zijn boek Conservatism dat conservatieven schaken met zwart. Ze wachten totdat iemand de eerste zet doet en daarna zijn zij aan de beurt. En ze reageren dan vaak met ‘wacht eens even’, of ‘ja maar’, of ‘had u hieraan al gedacht?’. Dat klinkt meer als een stijl of levensgevoel dan als een partij of een beweging. Een beetje in de trant van: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Of: gooi geen oude schoenen weg, voordat je nieuwe hebt. Of: verandering is lang niet altijd verbetering. De sfeer van volkswijsheden en scheurkalenders. Gezond verstand. Nuchterheid. Gematigdheid.
Ik kan me voorstellen dat sommige lezers zich hier achter hun oren beginnen te krabben. Altijd goed dat er mensen zijn die waarschuwen tegen overmatig enthousiasme, tegen drammerig gedrag of tegen morele tunnelvisie. Onder het etiket van ‘vooruitgang’ zijn veel bedenkelijke zaken verkocht zonder bijsluiter. Maar toch: sommige veranderingen zijn toch gewoon goed? Vrouwen hebben nu veel meer rechten, de slavernij is afgeschaft, homo’s worden niet meer gecriminaliseerd of gemedicaliseerd, we zijn met z’n allen veel gezonder en welvarender geworden, we kunnen op vakantie naar verre oorden, en zo nog veel meer. Hoepel op met je gematigdheid. Leve de vooruitgang!
Conservatisme als verdediger van gevestigde belangen
Het is begrijpelijk dat wereldverbeteraars argwanend staan tegenover ‘ja maar’-roepers. Waarom zijn conservatieven zo tegen verandering? Welke belangen hebben ze te verdedigen? Waarvoor zijn ze bang? In zijn boek The Reactionary Mind zegt de Amerikaanse historicus Corey Robin dat het in het conservatisme altijd ging om het behoud van hiërarchie – the private life of power. Prachtig die vooruitgang, maar de macht van de man en vader, de slavenhouder en de priester moesten onaangetast blijven. Conservatisme is vaak een vijand van meer rechtvaardigheid. In het verleden hebben conservatieven zich verzet tegen bewegingen die slaafgemaakten, vrouwen of arbeiders wilden emanciperen. In onze tijd zie je soortgelijke tendensen in het verzet tegen ‘gendergekte’ of Kick Out Zwarte Piet.
In dit verzet tegen een rechtvaardiger samenleving, zo laat Robin zien, nam het conservatisme trekken over van de tegenstander die het bestreed. Net als de revolutionairen (abolitionisten, socialisten, communisten) hadden ook conservatieven al snel door dat je de macht niet kon behouden zonder de massa te bespelen. De conservatieve beweging van nu telt dan ook niet alleen keurige intellectuelen als David French of David Brooks, maar ook populistische lichtgewichten als Boris Johnson of bedenkelijke figuren als Victor Orbán. Net als ‘woke’ voorvechters van gendergelijkheid begrijpen hedendaagse conservatieven heel goed dat het loont om de underdog uit te hangen, je gekwetstheid uit te venten en het recht op te eisen om ‘jezelf’ te zijn. Conservatieven klagen al snel over de progressieve elite die, naar hun opvatting, andersdenkenden ‘haat’ of ‘cancelt’. In die zin is het huidige rechtse populisme, met z’n luidkeelse beroep op ‘het volk’ en z’n polariserende stijl, op z’n minst verwant aan de conservatieve traditie. Die conservatieve onderbuik is er altijd geweest.
Gemeenschap als kernwoord
Maar eerlijk is eerlijk: elke politieke beweging heeft zo’n onderbuik. Alleen letten op de lelijke kanten van het conservatisme verhindert ook om te vragen of er misschien iets in zit. Laten we daarom nog eens teruggaan naar dat hek van Chesterton. Stel dat de progressieve wandelaar wil nagaan waarom het er staat, en vooral waarom het er nog steeds staat, terwijl het zo overduidelijk geen nut meer heeft. Wat zou ze horen? Mogelijk dit:
Een boer uit een nabijgelegen boerderij vertelt dat dit hek door zijn grootouders is neergezet toen de boerderij werd gebouwd. Nadat de eerste boerderij afbrandde, is dit de enige tastbare herinnering aan hoe hun familie hier is begonnen met boeren. Zijn vader nam hem ooit mee naar dit hek om er samen bij stil te staan. Hij is van plan om hetzelfde te doen met zijn zoon, als die oud genoeg is om het verhaal te horen.
Een vogelaar komt langs en zij vertelt dat hier elke avond na het invallen van het donker een kerkuil neerstrijkt. Het is blijkbaar een favoriete uitkijkpost van de roofvogel. Zij wijst op de braakballen die bij een van de hekpalen op de grond liggen en zij vertelt dat zij hier soms met haar kinderen naar toe gaat. Die vinden het heerlijk om braakballen uit elkaar te pluizen en de skeletjes van muizen bij elkaar te zoeken.
De plaatselijke VVV legt uit dat dit hek een prachtig markeringspunt is bij de jaarlijkse wandeltocht voor de basisschool. ‘Tot het hek en daarna weer terug’, is een gevleugelde uitdrukking in het dorp. Hetzelfde geldt voor wie een ommetje wil maken op een zomeravond. ‘Ik loop even naar het hek’, heeft geen verdere uitleg nodig.
Als ze het hek goed bekijkt, ziet ze dat in een van de planken initialen zijn gekrast. Later hoort ze dat een bejaard stel uit het dorp hier verkering heeft gekregen. Elk jaar komen ze hier op hun trouwdag een glaasje champagne drinken.
Wat al deze verhalen vertellen: het hek heeft misschien niet direct ‘nut’. Het is niet economisch efficiënt of ‘rationeel’ om dit hek te laten staan. Maar het heeft wel ‘betekenis’. Het is verweven geraakt met de verhalen en herinneringen van de mensen die er wonen. Zelfs de dieren hebben het opgenomen in hun wereld. Het hek is onderdeel van een gemeenschap geworden.
Hier ligt de echte kern van het conservatisme, zegt de Britse filosoof Roger Scruton (1944-2020). Volgens Scruton hebben conservatieven veel gemeen met liberalen: zij leggen allebei veel nadruk op vrijheid. Maar zij zien de samenleving anders. Voor liberalen – en de meeste moderne politieke stromingen – bestaat de samenleving vooral uit individuen. Conservatieven zien dat anders, zegt Scruton. Niet individuen zijn de grondstof van de samenleving, maar gemeenschappen. Waarom is dat zo belangrijk? Om twee redenen: gezond verstand en morele vorming.
Gezond verstand
In de eerste plaats bevatten gemeenschappen iets als ‘gezond verstand’ (common sense). Met ‘common sense’ bedoelen conservatieven meestal kennis die opkomt uit ervaring. Simpel voorbeeld: je kunt een enorme theoretische kennis hebben van auto’s. Je zou elke pubquiz winnen die gaat over merken, modellen, bouwjaren, motorinhoud, of fabrikanten. Maar dat betekent niet dat je zelf auto kunt rijden. ‘Weten hoe’ is iets anders dan ‘weten dat’.
De Amerikaanse conservatieve filosoof Patrick Deneen geeft een soortgelijk voorbeeld. Stel dat een binnenhuisarchitect je vertelt dat alle stopcontacten in je huis helemaal verkeerd zitten. Vanuit zijn nieuwe ontwerp is het veel rationeler, esthetischer en modieuzer om ze op andere plaatsen te hebben. Maar jij woont al jaren in dit huis, je bent gewend aan de plek waar de stopcontacten nu zitten, je gemakkelijke stoel en je boekenkast zijn erop ingericht, alle keukenmachines staan onder handbereik. Gebruikskennis, ervaringskennis, is typisch iets wat groeit in de omgang, in het volle leven. Zo heeft het hek een betekenis gekregen die niet op papier staat. Niet rationeel of functioneel naar de normen van planners, fabrikanten of maatschappijhervormers. Maar toch weet iedereen in het dorp meer over dit hek dan een toevallige wandelaar ooit kan weten, hoe slim of goed opgeleid zij ook is.
Als politici of managers vinden dat het helemaal anders moet, omdat ‘de wetenschap’ dat nu eenmaal zegt of omdat ‘de internationale verhoudingen’ erom vragen, dan zijn conservatieven geneigd om voorrang te geven aan alledaagse wijsheid.
Hetzelfde geldt, zeggen conservatieven, voor veel dingen in het leven. In het alledaagse leven doen mensen ervaringskennis op over deugdzaamheid, over hoe je kinderen opvoedt, over wat mannen en vrouwen zijn, over goed leiderschap, over eerlijk delen en een bijdrage leveren aan de gemeenschap, over wie deugt en wie niet, en over duizenden andere dingen die van belang zijn bij het samenleven. Ze kunnen al die kennis misschien niet in prachtige theorieën verwoorden, maar intussen is er heel wat alledaagse wijsheid opgeslagen in een gemeenschap. Als politici of managers vinden dat het helemaal anders moet, omdat ‘de wetenschap’ dat nu eenmaal zegt of omdat ‘de internationale verhoudingen’ erom vragen, dan zijn conservatieven geneigd om voorrang te geven aan die alledaagse wijsheid.
Morele vorming
In de tweede plaats zijn gemeenschappen bronnen van moraliteit. Regels kun je uit je hoofd leren bij het vak burgerschapsvorming of je kunt ze vinden in een wetboek. En als je zorgt voor een goede politie en rechtspraak zullen mensen zich dan meestal wel gedragen. Tenzij ze ermee weg kunnen komen. Maar conservatieven zeggen: regels maken een mens niet goed. En de politiek kan dat ook niet. Om morele mensen te maken heb je deugden nodig, diepgewortelde gewoonten die maken dat je in allerlei situaties rechtvaardig, gematigd, barmhartig optreedt – zelfs als er op dat moment geen regel is voor deze specifieke situatie. Moraliteit is als een spier die je traint. Die groeit in een gemeenschap, waar je van jongs af aan leert om rekening te houden met elkaar, je eigen impulsen te beteugelen, empathisch te zijn. Anders dan liberalen en socialisten, geloven conservatieven niet dat mensen dat vanzelf wel kunnen. Verantwoordelijke burgers worden gevormd in gezinnen, kerken, moskeeën, verenigingen en clubs. In onze relaties met ouders, kinderen, partner, buren, straat, kerkgenoten, medesporters, of politieke vrienden leren wij loyaliteit, plichtsbesef, vriendelijkheid, geduld, bescheidenheid. Zonder die deugden is geen echte vrijheid mogelijk. In dat weefsel van het leven wordt ons morele kapitaal gevormd. Alleen met wetten en regels kun je een land niet draaiend houden; je hebt deugdzame burgers nodig.
Andere waarden
Hierboven noemde ik Edmund Fawcett, die schreef dat conservatieven met zwart schaken en veranderingsgezinden met wit. Dat klopt maar gedeeltelijk. Het suggereert namelijk dat progressieven (veranderingsgezinden) en conservatieven hetzelfde spel spelen, maar dat ze verschillen van mening over de uitkomsten. Bijvoorbeeld: iemand kan een pleidooi voeren voor een direct referendum, met als argument dat dit democratischer is. Een conservatief kan dan proberen uit te leggen waarom dit op termijn juist niet democratischer is. In dat geval spelen ze hetzelfde spel, en de conservatief speelt inderdaad met zwart. Maar heel vaak werkt het niet zo. Als conservatieven zich verzetten tegen een verandering is dat niet altijd omdat ze de argumenten van progressieven niet geloven.
Om een voorbeeld te noemen: ik groeide op in de buurt van de Arkemheenpolder bij Nijkerk. Het is een van de mooiste natuurgebieden van Nederland. Waarom? Omdat in de jaren zestig de boeren daar niet mee wilden met de ruilverkaveling die toen overal in Nederland werd uitgerold. Ruilverkaveling was in alle opzichten rationeler en efficiënter: je kon grotere terreinen bewerken, het was handiger met de afwatering, zwaardere machines konden worden ingezet, en je verdiende veel meer geld. De boeren in de polder begrepen dat allemaal prima en ze waren het ook niet oneens met die argumenten. Maar toch verzetten ze zich. Het had iets te maken met traditie, de grond van hun voorouders, gehechtheid aan hun manier van leven. Rapporten uit die tijd spraken schande van hun achterlijkheid. Maar tegenwoordig doen we er alles aan om het romantische landschap van voor de ruilverkaveling te herstellen: kronkelende beekjes, drassige graslanden, doorsneden met eindeloze hagen.
Het punt is: conservatieven roepen vaak andere waarden aan dan progressieven. Ze ontkennen meestal niet dat bepaalde veranderingen inderdaad leiden tot meer voorspoed, rationaliteit, of gelijkheid. Maar ze brengen daar tegenin dat de mens niet alleen leeft van geld, rationaliteit en gelijkheid. Je kunt een gemeenschap niet alleen bij elkaar houden met efficiëntie en gelijke rechten voor iedereen.
De Amerikaanse psycholoog Jonathan Haidt heeft dat laten zien in zijn boek The Righteous Mind (2012). Haidt stelt op basis van onderzoek dat conservatieven en progressieven uit verschillende emotionele vaatjes tappen en zodoende ook verschillende waarden hebben. Grofweg laten progressieven zich vooral leiden door waarden als gelijkwaardigheid en medelijden, terwijl conservatieven zich meer laten leiden door waarden als hiërarchie, heiligheid en loyaliteit. Hij zegt erbij dat conservatieven in het algemeen progressieven beter snappen dan andersom. Progressieven begrijpen conservatieve waarden vaak niet, terwijl conservatieven meestal wel begrip hebben voor het belang van progressieve waarden. Zij zijn niet tegen die progressieve waarden; zij vinden dat er meer waarden van belang zijn.
Conservatieven zijn dus gemeenschapsdenkers: zij hebben een rijker begrip van het brede spectrum van morele waarden dat je in gemeenschappen vindt. Dat betekent ook dat zij bereid zijn te leven met de spanningen die dat met zich meebrengt. Immers, een gemeenschap bij elkaar houden betekent vaak ook dat bepaalde minderheden in zo’n gemeenschap zich achtergesteld kunnen voelen. Dat is bijna onvermijdelijk in elke stevige gemeenschap. Denk aan transvrouwen in de sportwereld. Denk aan homoseksuele leerlingen op reformatorische scholen. Je kunt rechtvaardigheid belangrijk vinden, maar loyaliteit is ook belangrijk. Je kunt het te doen hebben met mensen, maar tegelijk vinden dat bepaalde normen heilig zijn. Je kunt immigranten welkom willen heten, maar tegelijk waakzaam zijn tegen free riders – mensen die profiteren zonder iets bij te dragen.
De spanning tussen al die waarden los je niet zomaar op, maar een conservatief houdt die spanning liever in stand dan dat hij probeert de gordiaanse knoop door te hakken. Conservatieven zijn voorzichtig met veranderingen, omdat zij weten (of vrezen) dat zulke veranderingen bijna altijd leiden tot een verzwakking van de gemeenschapsbanden, en daarmee van onze morele bronnen.
Emancipatie van individuen of het gebruik van efficiëntere technieken levert natuurlijk heel wat op: sommige mensen worden een stuk gelukkiger, en bijna iedereen gaat meer verdienen. Maar het kost ook veel. Het weefsel van de gemeenschap kan uit elkaar rafelen en daardoor gaan waarden verloren als heiligheid, loyaliteit en hiërarchie. Dat zijn waarden waarvan meer veranderingsgezinde mensen meestal het nut niet inzien, maar die je gaat missen als ze er niet meer zijn. En dan zijn ze meestal niet meer terug te krijgen. Denk maar weer aan Burkes democratie van doden, levenden en nog niet geborenen. Je kunt je voorouders wel achterlijk vinden, maar wie garandeert dat je achterkleinkinderen jou later niet vervloeken vanwege je kortzichtigheid?
Migratie en de economie
Dit denken vanuit gemeenschappen verklaart ook waarom conservatieven immigratie, in elk geval te snelle immigratie, als een bedreiging zien. Dat is niet per se racistisch gemotiveerd. Bij conservatieven zit de zorg elders: wanneer er te veel immigratie is, vooral van mensen met andere culturele waarden, raken gemeenschappen verstoord. De cohesie verdwijnt uit de oude stadswijk wanneer gastarbeiders toestromen, en in het dorp waar een azc wordt geopend groeit het onderlinge wantrouwen (althans, zo vreest men). Waar progressieven gedreven worden door boosheid om onrecht, is de primaire emotie van conservatieven angst voor het verlies van de gemeenschap. Nederland is demografisch misschien wel te snel veranderd, denken velen. En niet alle nieuwkomers delen de culturele waarden die het historisch gegroeide samenleven in Nederland mogelijk maken.
Intussen wordt veel van die migratie gedreven door de economie. Daar zit een interessante paradox in het conservatisme. Conservatieven kunnen haast lyrisch schrijven over het bedrijfsleven en over ondernemerschap. Op zich is dat prima te begrijpen, als je bedenkt dat conservatieven wantrouwig staan tegenover een opdringerige overheid die zich overal mee bemoeit vanuit haar verlichte idealen. Laat de samenleving het zelf maar opknappen. Maar het gekke is dat juist de vrije markt en het ondernemerschap in onze moderne wereld hebben gezorgd voor de afbraak van traditionele gemeenschappen, enorme schaalvergroting in de agrarische sector, het outsourcen van productie naar lagelonenlanden, de opkomst van multinationals die zich aan geen lokale gemeenschap iets gelegen laten liggen, de import van goedkope gastarbeid, en het nivelleren van nationale grenzen. Het werk van de Britse econoom Paul Collier, een sociaaldemocraat, laat bijvoorbeeld goed zien hoezeer zulke economische ontwikkelingen een wig drijven tussen stad en platteland, tussen hoog- en laagopgeleiden en uiteindelijk het morele kapitaal van de samenleving ondermijnen.
Wanneer we het over duurzaamheid hebben, moeten we ook onder ogen zien dat deze economische liberalisering ons heeft opgezadeld met gigantische internationale klimaatproblematiek. Trouwens, hetzelfde geldt voor culturele liberalisering: de groei van persoonlijke vrijheid, consumptie en mobiliteit heeft een negatief effect op de schepping. Roger Scruton zegt in dit verband dat de strijd voor het behoud van sociale samenhang in feite dezelfde strijd is als die tegen de afbraak van de leefomgeving. Het zijn dezelfde ontwikkelingen van hypermobiliteit, individualisering en consumptiegroei die zowel gezinnen en kerken als ook landschappen en klimaat bedreigen.
Zou het kunnen dat de SGP en de PvdD uiteindelijk strijden tegen dezelfde ontwikkelingen, waarvan ze allebei slechts een deel van de gevolgen zien?
Juist op dit punt is een merkwaardige links-rechtskloof zichtbaar in Nederland. Wie pleit voor gezinswaarden en traditionele waarden lijkt in het algemeen weinig op te hebben met de klimaatproblematiek, en wie een groene agenda heeft moet in het algemeen weinig hebben van conservatieve opvattingen over relaties en gender. Maar zou het kunnen dat de SGP en de PvdD uiteindelijk strijden tegen dezelfde ontwikkelingen, waarvan ze allebei slechts een deel van de gevolgen zien? Het beschermen van de biodiversiteit en het opkomen voor het gezin zijn twee kanten van dezelfde medaille.
Dezelfde onderwaterverbindingen tussen links en rechts vind je op andere dossiers. Wie filmpjes rondstuurt van foetussen in de baarmoeder die ineenkrimpen voor de tang van de aborteur verschilt niet zoveel van iemand die filmpjes post van krijsende biggetjes in het slachthuis. De reacties van het economische of culturele establishment op zulke filmpjes zijn vaak hetzelfde: ze zijn uit context gehaald of gefaket, ze zijn smakeloos. Maar dat laat onverlet dat ze een beroep doen op gelijksoortige sentimenten: op verbinding, op heiligheid, op een diepgevoelde weerzin tegen ‘technologisering’ van het leven. Wie pleit voor handelstarieven en tegen arbeidsmigratie kan in een rechts kamp zitten (denk aan Trump), maar net zo goed in een links kamp (denk aan de Socialistische Partij). Het onderliggende sentiment is conservatief: bescherming van gemeenschappen, de waardigheid van de arbeider die ten onder gaat aan een economische race to the bottom.
Rechts en links conservatisme
Als je het zo bekijkt, is er iets geks aan de hand met de bewegingen die zich tegenwoordig ‘conservatief’ noemen. Ze zijn bijna allemaal rechts. Het huidige ‘conservatisme’ is een ratjetoe van islamofobie, handelstarieven, ongebreideld (tech-)kapitalisme, klimaatontkenning, scheppingsverwoesting en autoritarisme. De huidige zelfbenoemde conservatieven lijken eerder uit op afbraak dan op bescherming. Ze ademen meer de geest van de Franse Revolutie dan van Edmund Burke.
Vanouds richtten conservatieven zich vooral op culturele veranderingen als gevolg van emancipatiebewegingen. Denk aan het socialisme of aan de seksuele revolutie van de jaren zestig. Vandaar de geur van ‘rechts’ die eraan kleeft. Maar er is ook altijd een conservatieve stroom geweest die oog had voor een andere motor van verandering in onze cultuur, die van de economie. Zij zien dat de versnelling van de economie enorme gevolgen heeft voor een traditionele levensstijl en voor de schepping. Hierboven zei Scruton het al: je kunt de liberalisering van de economie en de liberalisering van de cultuur zien als twee kanten van dezelfde progressieve medaille.
Iets dergelijks zegt ook Patrick Deneen: als gevolg van culturele emancipatie en economische liberalisering heeft zich een elite gevormd die bestaat uit linkse strevers naar individuele vrijheid en rechtse strevers naar een onbelemmerd bedrijfsleven. Hun onderlinge onenigheid is slechts schijn; beiden laten zich drijven door waarden als individualisering, welvaartsgroei en vrijheid. En beiden zijn eensgezind in hun verachting van de ‘achterblijvers’. Voor links-progressief zijn zij verkapte racisten en vrouwenhaters; voor rechts-progressief zijn zij ‘losers’ die liever klagen dan hun kansen te grijpen. De term ‘tokkie’ vat het aardig samen.
De populistische partijen profiteren van de onvrede die het gevolg is van deze verachting, maar zonder een fatsoenlijk conservatief alternatief te bieden. Zo’n fatsoenlijk alternatief zou een combinatie moeten zijn van cultureel en economisch conservatisme. Zeg, een beweging of een partij van deugdzame mensen die opkomt voor gezinnen en gemeenschappen, voor het belang van vitale religieuze tradities, een beweging die de rechtsstaat beschermt, die opkomt voor de internationale rechtsorde, die zich krachtig inzet voor het behoud en de bloei van de schepping, die massale arbeidsmigratie en het ondermijnen van de eigen industrie tegengaat, die streeft naar een (internationale) economische orde waarin iedereen waardig werk kan vinden, en die aan een landbouwsector bouwt waarin boeren een goede boterham kunnen verdienen met duurzaam ondernemen. Dat is wat anders dan mensen opstoken tegen asielzoekers en rechters, en verder aan het lijntje lopen van grootindustriëlen en autocraten.
Veel minder een bal
Progressieven, of ze nu links zijn of rechts, hebben de neiging gemeenschappen, kerken en gezinnen te zien als plaatsen van patriarchaat en onrecht, van achterlijkheid en ouderwetsheid. Mensen kunnen pas volwaardig burger zijn als ze bevrijd zijn uit zulke gemeenschapsbanden. Het klassieke verhaal dat daarbij past, is dat van de coming of age-vertelling: jonge man of vrouw die het geboortedorp verlaat en naar de grote stad trekt, om daar een wereld te vinden van eindeloze mogelijkheden. De conservatief ziet het juist andersom: alleen in en door gemeenschappen kunnen mensen leren volwaardig burger te zijn. Daarbij past een ander scenario, zoals bijvoorbeeld de eindeloze reeks Amerikaanse romcoms over jonge vrouwen die carrière maken in de grote stad, om dan – doorgaans rond Kerst – terecht te komen in zo’n echt ouderwets en gemoedelijk dorp waar zij de man van hun dromen ontmoeten. Is dat rationeel? Is het geëmancipeerd? Vergroot het de welvaart? Kun je dat gieten in de taal van gelijke rechten, liberalisering en bevrijding? Niet echt. Maar voor wie is dat een probleem?
Dit waardenconflict is onvergetelijk uitgedrukt door Jane Austen in haar Pride and Prejudice. Daar probeert Caroline Bingley haar broer Charles ervan te overtuigen dat een bal een achterhaalde activiteit is voor moderne jonge mensen. ‘Het zou veel rationeler zijn als we onze dag zouden besteden aan conversatie in plaats van aan dansen.’ Waarop haar broer antwoordt: ‘Ongetwijfeld zou dat veel rationeler zijn, lieve Caroline, maar veel minder een bal.’
Meer leren over onze wereld en cultuur – door geschiedenis, kunst en geloof? Abonneer je op De Ongelooflijke Substack en ontvang iedere week nieuwe artikelen in je mail. De artikelen blijven gratis, wel kan je vriend van De Ongelooflijke worden om ons werk te steunen.








Mooi overzicht! Vorige week las ik Kingsnorth, Against the Machine, en hij is 1 van de weinigen die groen met gezinswaarden verbindt, en zich daarom verloren voelt in deze tijd. Aanrader.
Helder stuk met prima verduidelijking van de te pas en (meestal) te onpas gebruikte termen. Het stuk maakt ook duidelijk dat niet iedereen voor altijd zomaar een etiket kan krijgen. Nog ervan afgezien dat ik vind dat etiketten plakken niet deugt. Daarom vind ik het wel jammer dat Stefan toch de (inmiddels wel) vrij lege termen links en rechts gebruikt. Jona Lendering schreef hierover tien jaar geleden al:
‘Wie links of rechts denkt, denkt voor de helft. Of eigenlijk denkt hij helemaal niet, want de begrippen zijn volkomen inhoudsloos. De etiketten geven vaak niet meer dan associaties aan: mensen die het ene standpunt innemen, nemen regelmatig ook een ander in. Wie is voor een vrije markt, stemt misschien op de VVD en deelt misschien andere VVD-standpunten, zoals over veiligheid. Wie is voor gelijke kansen, stemt misschien op de PvdA en is misschien voor klimaatwetgeving.
Ik cursiveerde misschien, omdat ik denk dat ze in de jaren zeventig “waarschijnlijk” hadden kunnen luiden. Toen was er meer zekerheid over dit soort associaties, nu zijn ze minder voorspelbaar. Ik voor mij heb althans geen zekerheden meer. Een reactionaire vriend stemt Groen Links, wat volgens mij alleen kan betekenen dat “links” niet langer staat voor “progressief”. Ik zou een VVD die de burgerlijke vrijheden inperkt geen liberale partij meer noemen en ik heb geen idee wat een “linkse kerk” kan zijn sinds bij de PvdA de panelen zijn verschoven. En zo voort en zo verder.
Links en rechts betekenen niets maar desondanks gebruiken we dit soort associaties voortdurend.’(Lees hier: https://mainzerbeobachter.com/2015/12/02/racist/#more-20288)