Wie is mijn naaste?
Stefan Paas over waarom ‘eigen volk eerst’ niet christelijk is
Waar ligt de grens van onze solidariteit? Bij de voordeur, de landsgrens – of loopt zij verder, tot voorbij alles wat ons vertrouwd is? In een tijd waarin ‘eigen volk eerst’ steeds vanzelfsprekender lijkt, onderzoekt theoloog Stefan Paas een oude, maar blijvend actuele vraag: wie is eigenlijk onze naaste?
Tot hoever gaat solidariteit?
“Dan hebben ze maar iets meer honger in Afrika.” Dat zei Geert Wilders (PVV) in het NPO 1-verkiezingsdebat op 27 oktober 2025. Hij zei het naar aanleiding van zijn voorstel om het budget voor ontwikkelingssamenwerking te schrappen en met het geld dat zo vrijkomt het btw-tarief in Nederland te verlagen. “Onze prioriteiten liggen in Nederland”, voegde hij eraan toe.
Voor Wilders houdt solidariteit op bij Hazeldonk en ’s-Heerenberg. Je kunt je daarover opwinden, vooral als je beelden op je netvlies hebt van hongerende kinderen in Afrika. Maar heeft Wilders niet een punt? Je kunt nu eenmaal niet solidair zijn met de hele wereld. Nou ja, je kunt wel zéggen dat je dat bent, maar in de praktijk lukt dat niet. Iedereen moet ergens stoppen met solidair zijn. Waarom zou je dan niet stoppen bij de landsgrens? Wilders geeft een helder antwoord op de vraag tot hoever solidariteit gaat: wij zijn solidair met Nederlanders, punt uit. Jammer voor de rest van de wereld. Laat ik die houding in het vervolg ‘nationalisme’ noemen. Nationaliteit bepaalt met wie je solidair bent.
Wat kun je daartegen inbrengen? Wilders’ politieke tegenstanders, de linkse en middenpartijen, vinden dat we onze schouders niet kunnen ophalen over hongerende kinderen ver weg. Zij gebruiken grote woorden als universele mensenrechten, internationale solidariteit, of de onvervreemdbare waardigheid van het individu. Dat zijn prachtige begrippen, maar ze klinken ook nogal vaag. Vaak zijn ze vastgelegd in keurige juridische formuleringen in internationale verdragen en in preambules bij grondwetten. Maar wat moet ik me voorstellen bij universele mensenrechten als ik bij de benzinepomp zie dat de diesel alweer duurder is geworden? Van internationale solidariteit kan ik m’n kinderen niet te eten geven. Zulke grote politieke begrippen zweven vaak een eind boven de alledaagse realiteit.
Ziedaar het dilemma. Het nationalisme van Wilders is wreed, maar het is helder en concreet. Het heeft ook de wind mee. Ontwikkelingshulp staat overal onder druk. Slechts vier of vijf landen halen momenteel het door de VN gestelde doel van 0,7% van het BNP. Het universalisme (laten we het vanaf nu zo noemen) van Wilders’ tegenstanders is barmhartiger, maar heeft als nadeel dat het abstract is en weinig mensen warm maakt.
Is er een oplossing voor dit dilemma?
In dit artikel probeer ik uit te leggen wat er mis is met Wilders’ uitspraak. Wij zijn wel degelijk verantwoordelijk voor medemensen in Afrika. Maar ik verdedig dat niet vanuit abstracte concepten als ‘universele mensenrechten’. Ik benader de vraag naar verantwoordelijkheid vanuit een christelijke invalshoek, die van naastenliefde.
Dat doe ik om twee redenen. Allereerst omdat ik denk dat deze benadering een goed alternatief kan zijn voor het dilemma van nationalisme vs. universalisme. Vervolgens omdat je juist in nationalistische kringen tegenwoordig pleidooien hoort voor het herstel van de ‘christelijke cultuur’. Het lijkt er ook op dat het langzamerhand meer geaccepteerd is voor actieve christenen om te stemmen op partijen als PVV en FvD, die willen stoppen met ontwikkelingshulp. Daarom is het belangrijk te laten zien dat een christelijke cultuur niet samengaat met Wilders’ nationalistische benadering van solidariteit.
De orde van liefde
Ruim een jaar geleden (29 januari 2025) deed de kersverse vicepresident van de Verenigde Staten, JD Vance, een poging om uit te leggen dat nationalisme eigenlijk heel christelijk is. In een interview met FOX News kreeg hij de vraag hoe zijn katholieke geloof te verzoenen was met ‘America First’ – het nationalistische MAGA-geloof van zijn baas Donald Trump. Vance gaf een interessant antwoord:
“Het is een heel oud concept – trouwens, ik denk ook een heel christelijk concept – dat je eerst houdt van (love) je gezin, dan van je buren, dan van je eigen dorp of stad, dan van je medeburgers in je eigen land, en pas dan kun je je druk maken over (focus and prioritize) de rest van de wereld.”
Toen de Britse oud-politicus Rory Stewart, zelf christen en ook co-host van de bekende podcast The Rest is Politics, daarop kritisch reageerde, antwoordde Vance.
“Google maar eens op ‘ordo amoris’. Los daarvan is het idee dat er geen hiërarchie van verplichtingen bestaat, in strijd met het gezond verstand. Denkt Rory echt dat zijn morele plichten jegens zijn eigen kinderen hetzelfde zijn als zijn plichten jegens een vreemdeling die duizenden kilometers verderop woont? Is er ook maar iemand die denkt van wel?”
Het ‘christelijke concept’ waarop Vance doelde, heet dus ordo amoris, Latijn voor de ‘orde van liefde’. Dat wil zeggen: je kunt niet alles en iedereen op hetzelfde moment evenveel liefhebben, dus moet je orde aanbrengen in je liefde. Zoals Vance het gebruikt, komt het erop neer dat we meer morele verplichtingen hebben aan mensen dichtbij dan aan mensen ver weg, en meer aan mensen met wie je verwant bent dan met vreemdelingen. Daarom is nationalisme een prima zaak. We kunnen ons nu eenmaal niet voor iedereen verantwoordelijk voelen. Dat klinkt best logisch en er is ook wel iets voor te zeggen. Maar is het ook christelijk?
Laten we dat idee van ordo amoris eens stap voor stap uitpakken.
Liefde
Eerst dat Latijnse woord amor – ‘liefde’. Dat woord verwijst naar Jezus’ opdracht: “Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf.” Jezus noemt dat zelf de samenvatting van alle geboden – de christelijke ethiek in een notendop.
Dat motief van liefde is heel dominant in het Nieuwe Testament. De apostel Paulus schrijft bijvoorbeeld dat je aan al je ethische verplichtingen hebt voldaan als je je naaste liefhebt. De kerkvader Augustinus zegt het later nog scherper: “Heb lief en doe dan wat je wilt.”
Wat betekent ‘liefde’ hier? Het is niet een warm gevoel vanbinnen. Met romantische liefde of aantrekkingskracht heeft het ook weinig te maken. Hier gaat het over een ethische gerichtheid op je medemensen. Thomas van Aquino definieert het als ‘het goede willen voor iemand’. Als je iemand liefhebt, wil je dus het goede voor die persoon.
Voor de duidelijkheid: dat blijkt uit je gedrag, dus uit wat je doet om anderen lief te hebben. Jakobus, de halfbroer van Jezus, schrijft in zijn nieuwtestamentische brief nogal cynisch over rijke mensen die bedelaars wegsturen met de vrome wens: “Ga heen en word warm.” Dus als je iemand kunt helpen die in nood is en je doet het niet, dan heb je die persoon niet lief – ongeacht welke goede bedoelingen je beweert te hebben. “We moeten niet liefhebben met de mond, met woorden, maar waarachtig, met daden”, schrijft Johannes.
Als liefde inhoudt dat je het goede wilt voor iemand, begrijp je ook waarom Jezus zelfs zo ver kan gaan dat hij zegt: “Heb je vijanden lief.” Dat betekent niet dat je je vijanden aardig vindt, of dat ze warme gevoelens opwekken (anders waren het geen vijanden). Het betekent dat je het goede voor hen wilt. Concreet: je scheldt hen niet uit, je vervloekt hen niet, je wenst hun niets ergs toe. En als ze in nood zijn, help je hen. “Als je vijand honger heeft, geef hem dan te eten. Als hij dorst heeft, geef hem te drinken”, zegt Paulus.
Tot slot: het goede willen voor anderen, is niet hetzelfde als dat je hen in alles hun zin geeft. Het goede heeft in de christelijke traditie een objectieve klank. Goed voor mensen is alles wat maakt dat ze goede mensen kunnen zijn. Als ik het goede wil voor jou (= jou liefheb), dan wil ik dat jij ook in staat gesteld wordt om God lief te hebben boven alles en je naaste als jezelf. Ik wil bijdragen aan jouw ‘goedheid’, als het ware – aan alles wat er nodig is om jou een moreel mens te laten zijn.
Daarvoor is het belangrijk dat jij jezelf kunt voeden en kleden, dat je onderwijs kunt krijgen, dat je toegang hebt tot hulpbronnen, dat je relaties hebt, veilig bent, en zo meer. Je naaste liefhebben betekent dat je je eigen bronnen deelt met anderen – je hebt je naaste lief als jezelf. Dat heeft dus ook een spirituele dimensie: ‘God liefhebben boven alles’. Daarom kan er in de christelijke ethiek nooit een muur staan tussen ‘ontwikkelingshulp’ en ‘zending’. Dat wil zeggen, als ik jou liefheb, zet ik me ervoor in dat jij ook de mogelijkheid krijgt om God lief te hebben. Natuurlijk heeft alles z’n plaats en z’n tijd (iemand die doodgaat van de honger heeft niks aan een Bijbel), maar uiteindelijk betekent liefde dat je zoekt naar het totaalplaatje. Naastenliefde is holistisch.
Kortom, liefde is het goede willen voor anderen (ook voor je vijanden), dat wil zeggen: alles wat anderen nodig hebben om zelf God en hun naaste lief te hebben.
Maar zoals Vance al zei: er zijn wel erg veel ‘anderen’. Zo’n acht miljard om precies te zijn, and counting. Dus om dezelfde vraag te stellen die ooit iemand aan Jezus stelde: “Wie is dan mijn naaste?” Je kunt nu eenmaal niet iedereen tegelijk en evenveel liefhebben.
En daarmee komen we bij de ordo amoris – de manier waarop je liefde kunt rangschikken, of ordenen. In het vervolg maak ik gebruik van verschillende christelijke denkers. Die zeggen niet allemaal precies hetzelfde, maar om het eenvoudig te houden laat ik de verschillen voor wat ze zijn. Het gaat me om de belangrijkste punten.
Liefde begint thuis
Vance trekt een aantal cirkels: hij begint bij je gezin en eindigt met je medeburgers, dus de mensen met wie je dezelfde nationaliteit deelt. Hij voegt er nog aan toe dat het niet betekent dat je buitenlanders ‘haat’. Maar het model dat hij schetst, heeft toch iets van een spons die je uitwringt: alleen als je eerst al je medeburgers hebt ‘geliefd’ (love), pas dan kun je je eventueel ‘richten op (focus and prioritize) de rest van de wereld’. Tegen die tijd zit er waarschijnlijk niet veel water meer in de spons. Eerst moeten alle burgers van de natie hun buik vol kunnen eten, en daarna kun je kijken of er nog een restje over is voor Afrika.
Vance heeft een punt, en het is een belangrijk punt om te maken. Naastenliefde begint dicht bij huis.
Interessant is dat Vance het woord ‘(naasten)liefde’ (love) achterwege laat wanneer hij het over buitenlanders heeft. Zijn ‘orde van liefde’ houdt blijkbaar op bij de grens; daarbuiten werkt een andere kracht – iets met ‘focus en prioriteit’. Maar misschien hoor ik er te veel in, dus dat laat ik nu liggen. Hier wil ik graag eerst iets positiefs benadrukken. Vance heeft namelijk een punt, en het is een belangrijk punt om te maken. Naastenliefde begint dicht bij huis. Het begint in concrete relaties en ontmoetingen. Je leert de noden van je medemensen kennen via je ouders, broers en zussen, familieleden, buren, vrienden, dorpsgenoten, enzovoort. Je vermogen om je naasten lief te hebben vormt zich in zulke concrete relaties. Hoe moet je je in een wildvreemd iemand verplaatsen als je nooit geleerd hebt je te verplaatsen in iemand die je kent?
Ik vind dat een belangrijk punt om in te brengen tegen mensen die solidariteit willen bouwen op universele mensenrechten, verdragen en abstracte concepten als de menselijke waardigheid. Dat zijn belangrijke concepten, maar ze hebben hun beperkingen. Het zijn namelijk vooral politieke concepten. Ze liggen vast in grondwetten en internationale verdragen. Maar liefde voor de naaste ontstaat niet door zulke concepten. We leren naastenliefde niet omdat we burgers zijn van een politieke gemeenschap als Nederland. We leren naastenliefde juist in de prepolitieke domeinen van gezin en buurt. Met ‘pre-politiek’ bedoel ik hier alles wat voorafgaat aan politiek en tegelijk datgene wat voeding geeft aan politiek. Ik ben allereerst zoon, broer, vriend, christen, buurtgenoot, echtgenoot, vader, opa. En pas daarna ben ik burger van Nederland, mijn politieke identiteit. Je hoeft die verschillende identiteiten niet tegen elkaar uit te spelen, maar het is belangrijk ze van elkaar te onderscheiden en te zien wat eerst komt en wat volgt. In het prepolitieke domein, dat rijke netwerk van relaties waarin we geboren worden en opgroeien, gaan we andere mensen ‘aanvoelen’, we gaan begrijpen wat mensen nodig hebben om waardig te kunnen leven, we maken kennis met het beroep dat anderen op ons doen. Naastenliefde is bij uitstek een begrip dat floreert in dat domein. Daarbovenop komt als het ware mijn politieke identiteit, waar de taal van rechten en universele waarden meer thuishoort.
Hier zit het gelijk van een meer conservatieve benadering van solidariteit. Pas op met preken vanuit abstracte concepten; daar worden de meeste mensen niet koud of warm van. Pas op met alles verwachten van ‘burgerschapsvorming’ als je geen oog hebt voor de vormende kracht van gezinnen, religieuze gemeenschappen, wijken en sportclubs. Waardeer het als mensen geworteld zijn, zich verbonden voelen met hun dorp, vereniging of kerk. Want dat is de bodem waarin naastenliefde groeit. Realiseer je ook dat mensen die stemmen op partijen als FvD tegelijk in hun dagelijks leven misschien wel taallessen geven aan vluchtelingen of leidinggeven aan een voedselbank. Onlangs had ik een lang gesprek met een oud-klasgenoot die al jaren pleegkinderen in huis heeft. Vroeger stemde hij CDA, maar hij bleek nu PVV te stemmen, onder meer omdat hij grote zorgen heeft over migratie. Maar al pratend kwam er nog iets naar voren: zijn afkeer van ‘linkse’ politici die grote woorden als ‘racisme’ en ‘mensenrechten’ gebruiken om mensen als hij weg te zetten – althans in zijn beleving. Hij is een sociaalvoelend mens, een goede buurman, iemand die meer dan het gewone doet om kinderen te helpen die hulp nodig hebben. Die grote begrippen doen hem geen recht.
Zoals Jonathan Haidt heeft betoogd, hebben conservatieven in het algemeen meer oog voor de vormende waarde van dat prepolitieke domein, van gemeenschappen. Annie Hochschild heeft in haar meesterlijke studie van Trump-stemmers in Louisiana laten zien hoe diep bij hen de weerzin zit tegen ‘positieve discriminatie’ van minderheidsgroepen of nieuwkomers. Dat nieuwkomers eerder een huis krijgen of voorrang krijgen bij een sollicitatie is vast prima uit te leggen vanuit een verhaal van mensenrechten, maar het rechtsgevoel van een gemeenschap schuurt vaak met wat men ervaart als ‘free riders’.
Hier zit ook het gelijk van mensen die waarschuwen voor snelle demografische veranderingen, als gevolg van arbeidsmigratie en (in mindere mate) asielmigratie. Gemeenschappen hebben een zeker absorptievermogen, maar dat is niet eindeloos. Wanneer gemeenschappen afbrokkelen en de ‘natuurlijke’ relaties van mensen onder druk komen te staan, kan ook de naastenliefde afnemen. De econoom Paul Collier waarschuwt bijvoorbeeld dat de belastingmoraal ondermijnd wordt wanneer de sociale samenhang uit een buurt verdwijnt.
Dus als ik Vance zo sympathiek mogelijk beluister, moet ik zeggen: hij heeft deels een punt. Naastenliefde leer je niet uit een wetboek. Wij leven allemaal in een netwerk van verbindingen en verplichtingen, en het is in dat netwerk dat liefde voor anderen ontstaat. Het is die liefde die vervolgens weer als brandstof dient voor abstracte, politieke concepten als de ‘natie’ en ‘universele mensenrechten’.
Maar verder dan dat gaat het gelijk van Vance niet. Allereerst omdat zijn nationalisme al net zo abstract is als mensenrechten.
Abstracte concepten en naastenliefde
Progressieve mensen putten graag uit de universele waarden van de Verlichting. Zulke waarden gelden voor iedereen, overal en altijd. Ze zijn per definitie individualistisch en ontworteld, en daarmee staan ze vaak op gespannen voet met liefde voor ‘eigen mensen’. Die wordt al snel gewantrouwd als een vorm van bekrompenheid die xenofobie in de hand werkt.
Tegelijk realiseren ook progressieve mensen zich hopelijk dat liefde voor hun universele idealen wel ergens vandaan moet komen. Er is nog nooit iemand spontaan in liefde ontbrand voor een mensenrechtenverklaring. De pedagogische taak van progressieven is daarom om natuurlijke bindingen en liefdes over te hevelen naar universele (en vaak abstracte) waarden als gelijkheid en rechtvaardigheid. Idealiter zelfs zo sterk dat ik bereid ben te doden en te sterven voor de verdediging en de verspreiding van deze waarden (mochten de Russen komen). Hun probleem is de spanning die er vaak is tussen politieke concepten als mensenrechten enerzijds en natuurlijke bindingen als familie en buurt anderzijds. Het hemd is nader dan de rok en het bloed kruipt waar het niet kan gaan. Een soldaat wil misschien sterven voor zijn gezin of voor zijn kameraden, maar voor ‘democratie’ of ‘mensenrechten’? Weinig kans. Het ontbreekt progressieven vaak aan een overtuigend verhaal waarmee ze verbinding kunnen leggen tussen universele concepten als ‘de waarde van het individu’ enerzijds en de concrete liefde die mensen hebben voor hun kinderen of hun geloofsgenoten anderzijds.
Maar voordat nationalisten triomfantelijk opveren: zij hebben precies hetzelfde probleem. Nationalisme draait om liefde voor wat in wezen al net zo’n abstract concept is: de natie. Zoals Alasdair McIntyre in zijn essay over patriottisme laat zien, hebben nationalisten en universalisten meer gemeen dan zij denken. Nationalisten vergeten vaak dat de natie, net als de EU of de VN, een kunstmatig construct is. Wij groeien niet op als mensen met liefde voor een ‘natie’, maar met liefde voor familie, vrienden, voetbalclub, een landschap, een kerk. Nationalisme moet ons worden aangeleerd, en dat gebeurt doorgaans door diepere, prepolitieke waarden en emoties voor wat nabij ons is over te hevelen naar de natie die ver weg is. Idealiter zelfs zo sterk dat ik bereid ben te doden en te sterven voor de natie.
Natievorming houdt ook in dat veel regionale en prepolitieke identiteiten worden geproblematiseerd en genivelleerd: streektalen, liefde voor je religie, je eigen buurt. Dat moeten we allemaal niet te belangrijk vinden, want voor je het weet voelen mensen zich niet meer verbonden met de BV Nederland. Religieus zijn is prima, maar dan alleen als het een religie is die samenvalt met het nationaal belang. Gott mit uns! En als je dan ‘nationaliteit’ vervolgens ook nog cultureel en etnisch invult, zit je zomaar bij het ‘witte christelijke nationalisme’ van de achterban van Trump.
Als Wilders ontwikkelingshulp wil opofferen aan lagere prijzen in de supermarkt, trekt hij de grens van solidariteit bij Nederlandse burgers. Maar waarom daar? Wat is erop tegen dat ik die grens nog dichterbij trek, bij mijn eigen familie, bij christenen, bij Drentssprekenden? Wat heb ik te maken met Limburgers of Zeeuwen of atheïsten? Waarom zou ik me bekommeren om moslims of Rotterdammers? Ik ben christen, droom soms in het Drents, houd van mijn familie en mijn vrienden, geniet van mijn dorpje langs de rivier. Maar wat betekent dat überhaupt, dat ik ook nog ‘Nederlander’ ben? En dat iemand die een paar centimeter over de grens woont ‘Belg’ is? Wat een willekeurig idee! Wilders’ voorkeur voor Nederland is al net zo abstract als het progressieve idee van solidariteit met de mensheid, waar hij zich tegen verzet.
Een christelijke ethiek van naastenliefde verschilt van deze beide abstracte benaderingen van moraal. Er is niets mis met liefde voor je land of met liefde voor universele mensenrechten. Maar die liefde leer je vlakbij huis, door de concrete naaste lief te hebben met wie je samenleeft, die je in je dorp tegenkomt, naast wie je in de kerk zit of met wie je tennist. Liefde moet je leren in concrete relaties van vlees en bloed.
Een mooi voorbeeld van deze christelijke ethiek vind ik het kerkasiel. Bijvoorbeeld in Kampen waar al tijden lang een Oezbeeks gezin wordt geherbergd door een kerk, om te voorkomen dat het wordt uitgezet. Zo’n kerkasiel komt voort uit prepolitieke bindingen (vriendschap, wij-gevoel, worteling, schoolkameraadjes, kerkgang), maar verzet zich tegen de rechtse nationalistische idee van ‘grenzen dicht’. Liefde stoort zich niet aan een paspoort of huidskleur. Maar links is het kerkasiel ook niet, want daarvoor spreekt het te weinig de taal van universele waarden en abstracte individualiteit. Kerkasiel gaat over ‘waardige mensen’ (met wie we – althans de Kampenaren in dit geval – verbonden zijn), niet zozeer over iets als ‘menselijke waardigheid’. Het is niet nationalistisch en het is niet universalistisch. Het is belichaamd, geworteld en christelijk. Maar het is lastig uit te leggen in termen die de meeste mensen vandaag begrijpen.
Nu we hopelijk het verschil een beetje duidelijk hebben tussen naastenliefde en abstracte concepten als ‘nationalisme’ en ‘mensenrechten’, wordt het tijd om een stap verder te gaan. Nationalisten hebben niets tegen naastenliefde, mits die zich beperkt tot mensen met hetzelfde paspoort – en vaak ook dezelfde afkomst. Hier wordt het tijd om mijn kaarten op tafel te leggen. Ik zie namelijk niet hoe nationalisme een politieke vertaling kan zijn van christelijke naastenliefde. Universele concepten als mensenrechten en de waardigheid van het individu kunnen dat wel zijn. Dat ga ik uitleggen.
Universele en onvoorwaardelijke liefde
Er is iets opvallends aan wat Vance zegt. Hij heeft het over ‘liefde’ en hij noemt dat een ‘christelijk concept’. Maar hij heeft het niet over ‘God liefhebben boven alles’. Als Jezus zegt dat we God moeten liefhebben boven alles en je naaste als jezelf, zegt hij dat die twee geboden met elkaar te maken hebben. Sterker nog, hij zegt dat ze aan elkaar ‘gelijk’ zijn. Dat kun je interpreteren als: ze komen in wezen op hetzelfde neer. Je kunt het ook interpreteren als: ze zijn even belangrijk. Hoe je het ook uitlegt, wat Jezus bedoelt is wel ongeveer duidelijk: je moet die twee geboden niet tegen elkaar uitspelen. Ze horen bij elkaar.
Christelijke denkers hebben altijd gezegd dat ‘God liefhebben’ en ‘je naaste liefhebben’ heel nauw verbonden zijn. En juist dat heeft direct gevolgen voor wat Vance beweerde. Net zoals je God niet kunt liefhebben zonder je naaste lief te hebben (dat zou je de sociaalkritische kant van het christendom kunnen noemen), geldt het ook andersom: je begrijpt pas werkelijk wat je naaste liefhebben is als je God liefhebt.
Hoezo? Voor denkers als Augustinus en Thomas van Aquino is God de bron van alle goedheid. Dat betekent ook dat God liefhebben wat anders is dan je naaste liefhebben. Ik zei net: voor Thomas betekent je naaste liefhebben dat je het goede wilt voor iemand. Maar God heeft alles al; God heeft niets van ons nodig. God is zuivere goedheid. Dus wat betekent het dan om God lief te hebben? Volgens Thomas is het dit: dat we liefhebben wat God liefheeft, en dat is jezelf en je naaste. God wil het goede voor ons (omdat Hij ons liefheeft), dus God liefhebben is dat we het goede willen voor onszelf en voor onze naaste. Vandaar: heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt. Voor Thomas betekent dit dus dat de twee geboden eigenlijk een en hetzelfde gebod zijn: God op de juiste manier liefhebben is je naaste liefhebben als jezelf, en andersom.
Je kunt dit ook anders zeggen (meer op de manier van Augustinus): God liefhebben boven alles betekent dat je God liefhebt om wie God is, namelijk als zuivere goedheid. En je hebt je naaste lief omdat je deze zuivere goedheid van God wilt voor iedereen. In de woorden van Augustinus: je hebt je naaste lief, omwille van God. Hij zegt het wat anders dan Thomas, maar het komt op hetzelfde neer.
God liefhebben boven alles betekent dus dat je verbonden raakt met een bron van goedheid die universeel is en onvoorwaardelijk. Want God deelt zijn goedheid met de hele schepping – met ‘goede en slechte mensen’, zegt Jezus (zie hieronder). Gods goedheid is dus universeel; niemand is ervan uitgezonderd. Vervolgens is Gods goedheid onvoorwaardelijk; hij geeft die goedheid zonder voorwaarden. Anders gezegd: zijn goedheid is gratis (dat is wat ‘genade’ betekent); we hoeven er niet voor te betalen. Immers, zoals ik zei, God heeft niets van ons nodig.
Alleen door God lief te hebben boven alles, zeggen deze christelijke denkers, begrijpen we wat naastenliefde werkelijk is. Naastenliefde is de wil om universeel en onvoorwaardelijk goed te doen. Zo verwoordt Jezus het in zijn beroemde Bergrede:
“Jullie hebben gehoord dat er is gezegd: ‘Houd van je broeders en haat je vijanden.’ Maar Ik zeg tegen jullie: houd van je vijanden en bid voor de mensen door wie jullie slecht behandeld worden. Want dan zijn jullie kinderen van jullie hemelse Vader. Want Hij laat zijn zon schijnen op goede mensen en op slechte mensen. Ook laat Hij het regenen op goede mensen en op slechte mensen. Als jullie houden van de mensen die ook van jullie houden, waarom zou God jullie dan een beloning geven? De slechte mensen doen toch precies hetzelfde? En als jullie alleen je vrienden groeten, dan doen jullie toch niets bijzonders? De slechte mensen doen toch precies hetzelfde? Wees volmaakt, want jullie hemelse Vader is óók volmaakt.” (Mattheüs 5:43-48).
Daar is geen woord Latijn bij. Je zou hier ook Jezus’ gelijkenis van de barmhartige Samaritaan kunnen noemen – zijn antwoord op de vraag: ‘Wie is mijn naaste?’ Het verhaal (je vindt het in Lucas 10:25-37) maakt duidelijk dat je naaste nu juist een buitenlander, of zelfs een vijand kan zijn. Ook dat is geen verhaal over abstracte mensenrechten of universele principes. Het is simpeler dan dat: wij zijn geroepen onze naasten lief te hebben, en die naaste kan ook een vreemdeling zijn die ons pad kruist.
Hier kun je dus een kritische noot kraken bij wat Vance zei. Juist omdat hij God niet noemde in zijn ‘rangorde van liefde’ (bewust?) kon hij doen alsof liefde principieel begrensd is. Hij kon doen alsof het volkomen normaal is om die liefde te laten stoppen bij de landsgrenzen. Maar dat is geen christelijk concept. Natuurlijk, niet alles is praktisch mogelijk (daar kom ik nog op), maar het is christelijk om te zeggen: naastenliefde heeft geen principiële grens en naastenliefde is ook niet transactioneel. We zijn geroepen om alle mensen lief te hebben en dat zonder voorwaarden vooraf en zonder betaling achteraf. Want dat is de manier waarop God liefheeft.
Zo reageerde paus Franciscus nog geen twee weken later ook op de uitspraken van Vance, in zijn brief aan de Amerikaanse bisschoppen (10 februari 2025).
“Christenen weten heel goed dat onze eigen identiteit als personen en als gemeenschappen alleen tot rijping komt door de oneindige waardigheid van iedereen te bevestigen. Christelijke liefde is niet een concentrische uitbreiding van belangen die beetje bij beetje verder gaat naar andere personen en groepen. […] De echte ordo amoris die we moeten aanprijzen is dat wat we ontdekken wanneer we voortdurend mediteren op de parabel van de ‘barmhartige Samaritaan’, dat wil zeggen, door te mediteren op de liefde die een broederschap bouwt die open is naar allen, zonder uitzondering.”
God boven alles
Misschien heeft het bovenstaande een beetje een triomfalistische afdronk. Alsof Godgelovigen beter snappen wat naastenliefde is dan andere mensen. Maar dit is geen wedstrijdje tussen gelovigen en anderen. Het gaat om een filosofisch punt, namelijk dat er in de christelijke traditie een relatie wordt verondersteld tussen enerzijds naastenliefde (moraal) en anderzijds dat wat het hoogste goed is, de bron van je identiteit. Dat laatste noemen christelijke denkers ‘God’. Die hele idee dat onze liefdes ‘geordend’ moeten worden, gaat over het punt dat je moraal alles te maken heeft met wat het belangrijkste is in je leven. En dat is een punt dat volgens mij ook mensen kunnen meemaken die zichzelf niet als religieus beschouwen.
Neem ‘America First’, de MAGA-slogan van Trump en zijn partij. Een klassieke denker als Augustinus zou zeggen: het is duidelijk hoe de liefde van de huidige Amerikaanse regering is ‘geordend’. Zij hebben Amerika lief boven alles. Amerika is feitelijk hun ‘god’, ongeacht welke vrome teksten zij bezigen. En als je dat ziet, begrijp je ook waarom Vance (anders dan Jezus deed) ‘God’ niet noemde toen hij het had over de ordo amoris. ‘America First’ is lastig te verzoenen met ‘God boven alles’.
Maar dit heeft onmiddellijk consequenties voor wie je vervolgens ziet als je naaste. Als Amerika je ‘god’ is, en dus de bron van je identiteit en het ijkpunt van je morele overwegingen, dan wordt het heel moeilijk om niet-Amerikanen te zien als naasten die je moet liefhebben als jezelf. En gezien het feit dat Amerika zich allesbehalve onvoorwaardelijk beweegt in de wereld, zal je naastenliefde transactionele vormen aannemen. Voor wat hoort wat, voor niks gaat de zon op. We moeten tenslotte zelf wel beter worden van ontwikkelingshulp. Kortom, naastenliefde verliest dan zijn universele en onvoorwaardelijke karakter. Het krijgt tribale en transactionele trekken. “Houd van je broeders en haat je vijanden.” Trump zelf liet er geen misverstanden over bestaan bij de begrafenis van de vermoorde Charlie Kirk. Waar diens weduwe de moordenaar vergaf, brulde Trump vanaf het podium: ‘Ik heb mijn tegenstanders niet lief. Ik haat mijn tegenstanders.” Hij kreeg hartelijk applaus. Tot zover MAGA en christelijke ethiek.
De liefde voor die God kan nooit een bron zijn van hoogmoed en triomfalisme (‘onze god is de beste’), maar zij is juist de enige garantie om constant weer bepaald te worden bij het feit dat naastenliefde universeel en onvoorwaardelijk is.
Voor Augustinus had de ordo amoris alles te maken met de vraag wie of wat je hoogste liefde verdient. Voor hem kon dat alleen de God zijn die zuivere goedheid en liefde is. Alleen zo raken we verbonden met een universele en onvoorwaardelijke bron van liefde. En alleen zo begrijpen we wie onze naaste is en wat wij onze naaste verschuldigd zijn. Gods liefde werkt in ons een universele en onvoorwaardelijke welwillendheid uit, schreef de Amerikaanse theoloog en filosoof Jonathan Edwards.
‘God’ staat bij Augustinus (en bij veel denkers in zijn spoor) dus juist niet voor de stamgod van (bepaalde) christenen, maar voor de universele en onvoorwaardelijke bron van al het goede, ware en schone. De liefde voor die God kan daarom nooit een bron zijn van hoogmoed en triomfalisme (‘onze god is de beste’), maar zij is juist de enige garantie om constant weer bepaald te worden bij het feit dat naastenliefde universeel en onvoorwaardelijk is.
Dat betekent niet dat Augustinus geen oog heeft voor ‘lagere’ liefdes, zoals de liefde voor je partner, je gezin of je land. Juist daarom is de ordo amoris belangrijk. Het gaat er niet om dat we liefde voor God uitspelen tegen liefde voor je partner. Zodra we dat doen, wordt God een concurrent van je partner of van je kinderen. Het gaat erom dat we de verschillende liefdes in ons leven op de juiste manier rangschikken. Zie het als een soort ladder van liefde. Zodra je er sporten tussenuit gaat halen, komen ook de andere los te liggen. De sporten geven elkaar stevigheid, elk op hun eigen plek.
Als God je hoogste liefde is, aldus Augustinus, zul je je partner of je land op de juiste manier liefhebben, namelijk zoals God hen liefheeft. Je zult je partner liefhebben als een medemens, je zult haar niet vergoddelijken of op een ongezonde manier idealiseren. Daar worden jij en je partner niet gelukkiger van. Je zult je kinderen niet overladen met verwachtingen, waardoor zij de bron moeten zijn van je identiteit en levensgeluk. Daarmee kweek je getraumatiseerde kinderen en je neemt een voorschot op veel naargeestige kerstdiners. En je zult ook je land niet verafgoden, waardoor je blind wordt voor de fouten die het maakt.
God liefhebben boven alles, betekent dus dat er ruimte komt om je naasten en je land lief te hebben op een gezonde manier. Dat is de kern van de ordo amoris – de rangschikking van onze verschillende liefdes.
Nationalisme en patriottisme
‘America First’ is wat de christelijke traditie ‘afgoderij’ noemt: iets wat niet God is, op de plaats van God zetten.
Vance maakte er dus theologisch een rommeltje van. ‘America First’ is helemaal niet te verzoenen met de ordo amoris. Integendeel, het is een heel problematisch idee. Nationalisme strijdt met onze roeping om God lief te hebben boven alles. Daarmee is nationalisme een voorbeeld van een verkeerd geordende liefde. Je natie is niet God. ‘America First’ is wat de christelijke traditie ‘afgoderij’ noemt: iets wat niet God is, op de plaats van God zetten. En daarmee komt je morele huishouding in het ongerede. Dan ga je dingen roepen als: “Laat Afrikanen maar honger lijden.”
Patriottisme daarentegen (een gezonde liefde voor je land) betekent dat je je eigen land zo liefhebt dat je het in dienst stelt van de liefde voor God en de naaste. Je wilt dat je land een goed land is, volgens de normen van God die zuivere goedheid is. Met andere woorden, je zult er als burger altijd naar streven dat je land morgen meer dan vandaag beantwoordt aan de idealen van universele en onvoorwaardelijke naastenliefde. Thomas van Aquino zegt dat zo: alles wat de aarde opbrengt is door God uiteindelijk voor de hele mensheid bestemd. Daarom moet elk gezin, elke stad en elk land zijn eigen gebruik van de opbrengst van de aarde altijd onderwerpen aan principes van rechtvaardigheid en liefde. Je hebt er nooit zomaar recht op, omdat je het toevallig kunt pakken en niemand je kan tegenhouden. Je hebt er recht op in zoverre je bereid bent die goederen rechtvaardig en liefdevol te gebruiken – dus met oog voor de noden van je naasten dichtbij en ver weg.
Kortom, altijd leuk als politici in het openbaar aan theologie doen, maar je moet ze dan wel even narekenen. Vance suggereerde hier dat je de ordo amoris kunt gebruiken als de rechtvaardiging van nationalisme. Het tegendeel is waar. ‘America First’, op de manier waarop het Trump-regime dit hanteert, is een immoreel concept, dat op elk onderdeel indruist tegen elke serieuze versie van de ordo amoris.
Doen wat je kunt, niet meer en niet minder
Christelijke naastenliefde begint dus dicht bij huis en het is principieel universeel en onvoorwaardelijk. Je kunt naastenliefde niet opsluiten in ‘kringen van verantwoordelijkheid’ en op een gegeven moment de kring sluiten.
Maar praktisch geldt natuurlijk wel dat we niet geroepen zijn om te doen wat we niet kunnen. Je moet het goede zoeken voor iedereen die je weg kruist, ongeacht waar hij vandaan komt, maar dat is wat anders dan constant de hele wereld op je nek nemen. Het is volkomen natuurlijk dat onze liefde begint bij degenen die dicht bij ons staan. Het zou een rare boel worden als je je eigen kinderen op straat liet zwerven omdat je alles wat je hebt opoffert voor kinderen in Bangladesh. En het is ook nuchter om te beseffen dat je niet voor iedereen tegelijk kunt zorgen en dat je niet iedereen in dezelfde mate kunt verzorgen. Daarvoor heb je niet de kracht, de energie en de middelen.
Toch moeten we daarmee niet gemakzuchtig omgaan, zeker niet als burgers van een rijk en veilig land. Weliswaar moeten we in het algemeen onze liefde zo ordenen dat we meer verantwoordelijkheid nemen voor degenen die dichter bij ons staan dan voor mensen ver weg. Er is niets mis mee, integendeel zelfs, dat je je meer verantwoordelijk voelt voor je eigen vrouw dan voor je buurvrouw. Maar daarbij moeten we wel rekening houden met de grootte van de nood en de omvang van je eigen middelen. Zoals Thomas zei: soms moet je iemand anders helpen dan degene die het dichtst bij je staat, omdat die ander in grotere nood verkeert.
Een voorbeeld: stel dat je ziet dat jouw kind en zijn vriendje beiden te water zijn geraakt in een diepe vijver. Er is niemand in de buurt en je hebt geen telefoon. Beide kinderen dreigen te verdrinken. Als je maar één kind kunt redden, zal niemand het je kwalijk nemen dat je je eigen kind redt. Je zult jezelf tot je sterfbed kwellen met schuldgevoel, want zo zijn mensen, maar moreel gezien heb je iets goeds gedaan door een van de kinderen te redden, terwijl je niets slechts deed door in dit geval te kiezen voor je eigen kind.
Maar als je eigen kind in minder groot gevaar verkeert dan zijn vriendje? Of als jijzelf een heel goede zwemmer bent en oersterk, zodat je gemakkelijk twee kinderen tegelijk uit het water kunt halen? In dat geval is het wel degelijk een zonde tegen naastenliefde als je ervoor kiest om alleen je eigen kind uit het water te halen en het andere kind te laten verdrinken. Je had meer kunnen en moeten doen dan je daadwerkelijk hebt gedaan.
Je ziet hier waarom Wilders’ uitspraak dat ze in Afrika maar wat meer honger moeten hebben zo immoreel is. Hij speelt hier de acute nood van hongerende Afrikanen uit tegen te dure boodschappen in ons land, waar niemand hoeft te sterven van de honger. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van Vance. Hij is vicepresident van zo ongeveer het rijkste land ter wereld, met het hoogste percentage miljardairs. Maar hij vertegenwoordigt een regering die sinds Vances interview genadeloos USAID de nek heeft omgedraaid, een belastingwet heeft doorgevoerd die geld van de lagere inkomens naar schatrijke Amerikanen doorsluist, en een keiharde en mensonterende immigratiepolitiek voert. Je kunt niet naar eer en geweten verdedigen dat Amerika niet meer kan doen voor de armen dan het nu doet. Het is onmogelijk vol te houden dat een land dat jaarlijks ruim 800 miljard dollar spendeert aan defensie (terwijl het al verreweg de sterkste defensie ter wereld heeft) zich financieel genoodzaakt zag om afscheid te nemen van 20-40 miljard dollar aan ontwikkelingshulp. Met andere woorden, wat Vance hier zei was hypocriet – juist omdat hij het zei in zijn rol als regeringspersoon.
Liberale rechtsorde en God
Tot slot: geldt dit alles niet voor privépersonen? Natuurlijk, als je je aangesproken weet door een christelijke ethiek van naastenliefde, moet je je best doen om zo universeel en onvoorwaardelijk mogelijk lief te hebben – en de daad bij het woord te voegen. Maar kun je dat vragen van staten, zoals Nederland of Amerika? Staten zijn toch niet christelijk? Moeten we geen scheiding maken tussen onze privémoraal in het prepolitieke domein en politieke moraal?
Die vraag helemaal beantwoorden vraagt om een apart artikel en dit verhaal is al lang genoeg. Maar ik wijs er eerst op dat Vance wel degelijk de ordo amoris betrekt op het handelen van Amerika als staat. En ook als je als nationalist hamert op het herstel of het behoud van een ‘christelijke cultuur’ kun je niet zo gemakkelijk je eigen moraal scheiden van de politiek. Want ‘cultuur’ gaat nu eenmaal over ons gezamenlijk verleden en over onze gezamenlijke toekomst als Nederland, of als het Westen in het algemeen. Politiek hoort daarbij. Verder denk ik dat het voor iedereen die zichzelf serieus als christen beschouwt niet zo gemakkelijk is om je handelen als burger (bijvoorbeeld je stemgedrag) compleet los te koppelen van je overtuigingen als christen. Ik wil niet beweren dat een christen een-op-een moet stemmen op een christelijke partij, maar het wil er bij mij ook niet in dat een christen kan stemmen op een partij die op belangrijke punten haaks staat op het grote gebod van de christelijke moraal, namelijk God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf.
Wat de meer progressieve kant van de politiek betreft: Jezus en de meeste christelijke denkers die ik in dit artikel noem hadden nog geen weet van moderne politieke noties als mensenrechten of universele menselijke waardigheid. Maar veel historici zijn het erover eens dat zulke concepten diepchristelijke wortels hebben. Je zou kunnen zeggen: voor veel mensen vandaag zijn ze het equivalent van God. Daarmee bedoel ik dat ze een universele en onvoorwaardelijke kapstok bieden waaraan we onze ‘lagere liefdes’ (voor ons land, voor geld, etc.) kunnen ophangen. Ze helpen ons om onze liefde te ‘ordenen’. Op die manier houden ze bijvoorbeeld ons nationalisme in toom.
Zulke concepten hebben als groot voordeel, denk ik, dat ze mensen van allerlei overtuigingen kunnen verenigen. Je hoeft niet in God te geloven om in universele mensenrechten te geloven. Dat is een grote kracht van de liberale democratie, dat burgers van allerlei religies en levensovertuigingen haar kunnen steunen.
Tegelijk zijn er nadelen. Concepten als mensenrechten en menselijke waardigheid zijn vaak in abstracte juridische termen geformuleerd. Het zijn papieren goden. Daarmee zijn ze weinig inspirerend voor wie er niet zoveel mee heeft. Erger nog, het is de vraag in hoeverre zulke concepten overeind kunnen blijven als hun christelijke achtergrond helemaal uit zicht is verdwenen. Want waarom zijn universele mensenrechten nou zo belangrijk? Wat is er eigenlijk mis met ‘eigen volk eerst’?
We moeten onze naaste liefhebben als onszelf, zonder voorkeur en zonder voorwaarden.
De christelijke traditie gaf daarop lange tijd een glashelder antwoord: omdat wij geroepen zijn God lief te hebben boven alles, en Gods goedheid is universeel en onvoorwaardelijk. Daarom moeten wij onze naaste liefhebben als onszelf, zonder voorkeur en zonder voorwaarden. Natuurlijk moeten we daarvoor dichtbij huis beginnen en natuurlijk mogen we rekening houden met wat praktisch mogelijk is. Maar er is geen principiële grens aan naastenliefde.
Maar wat is in onze geseculariseerde tijd het antwoord op zulke kritische vragen?
De Tweede Wereldoorlog en de holocaust hebben de twijfels aan mensenrechten decennialang op afstand gehouden. Zelfs al geloven mensen niet meer in God, dan nog waren de verschrikkingen van de jaren dertig en veertig lange tijd genoeg om ieder weldenkend mens ervan te overtuigen dat we de waardigheid van elk individu moeten koesteren. Maar het heeft er alle schijn van dat dit krachtige tegengif is uitgewerkt. Velen spreken openlijk twijfel uit over mensenrechten. Nationalisme is terug van weggeweest. Uitgemaakt worden voor ‘racist’ of ‘fascist’ levert niet meer op dan een schouderophalen. Zoals Robert Kagan zegt: de jungle is bezig terug te groeien.
In dat licht valt het op dat op dit moment een krachtig en overtuigend verhaal ontbreekt als het gaat om universele waarden. Tribalisme verkoopt zichzelf wel; bloed is dikker dan water. Maar universalisme heeft een verhaal nodig. Het is niet voldoende om te zeggen dat mensenrechten nu eenmaal ‘afgesproken’ zijn. Het simpele antwoord daarop is: nou, dan maken we toch nieuwe afspraken? En het is niet voldoende om te wijzen op de chaos en ellende die misschien wel ontstaan als we het geloof verliezen in mensenliefde die verder reikt dan bloed en bodem. De gaskamers zijn lang geleden en er leeft nauwelijks iemand die de oorlog nog heeft meegemaakt.
Ik weet niet of het zal lukken om het geloof in mensenrechten en menselijke waardigheid vitaal te houden, zonder hun christelijke inbedding die lange tijd haast vanzelfsprekend was. In dit artikel kan ik alleen zeggen dat dit geloof diepchristelijke wortels heeft. En ik kan zeggen dat het christendom in alles de tegenstander is van het nationalisme dat Vance en Wilders aanprijzen.
Meer leren over onze wereld en cultuur – door geschiedenis, kunst en geloof? Abonneer je op De Ongelooflijke Substack en ontvang iedere week nieuwe artikelen in je mail. De artikelen blijven gratis, wel kan je vriend van De Ongelooflijke worden om ons werk te steunen.












Waardevol! 🙏🏼
Mooi essay om te delen, bedankt. Hielke Verbree