'Waarom we Driekoningen moeten herwaarderen'
Gods openbaring aan de wereld
Kerst is voorbij, maar wij trekken de feestvreugde nog even door tot 6 januari, want dan viert de christelijke wereld Driekoningen: het feest van de wijzen uit het Oosten die Jezus bezochten in Bethlehem. Achter deze feestdag schuilt echter meer dan een religieuze traditie. Conservator Rozanne de Bruijne laat zien hoe dit beroemde Bijbelverhaal ons ook vandaag nog uitnodigt om na te denken over culturele verschillen en ontmoetingen met mensen die anders zijn dan wijzelf.
Driekoningen is een kerkelijke feestdag op 6 januari, die ook wel ‘Epifanie’ wordt genoemd: ‘goddelijke openbaring’. Op deze dag wordt de bekendmaking van Christus aan de wereld herdacht.
De drie koningen worden een hype
Ze stelen de show in elke kerststal: eerbiedwaardige astrologen in kleurrijke gewaden, hun lastdieren beladen met kostbare geschenken. De drie wijzen uit het Oosten vertegenwoordigen een scène uit het kerstverhaal die altijd tot de verbeelding heeft gesproken. In de Bijbel wordt niet veel over de koningen verteld. In Mattheüs 2 gaat het over ‘magiërs’ of ‘wijzen’ uit het Oosten, die op zoek zijn naar de pasgeboren koning van de Joden, omdat ze zijn ster hebben zien opkomen. In Jeruzalem vragen ze de weg aan koning Herodes, die meteen is gealarmeerd. Nadat de wijzen het kind hebben gevonden, werpen ze zich in aanbidding voor hem neer en bieden ze hem hun geschenken aan: goud, wierook en mirre. Het aantal wijzen wordt in de Bijbel niet genoemd, maar in de westerse kunsthistorische traditie zijn het er drie geworden op basis van het aantal geschenken.
Vanaf de elfde eeuw worden de wijzen als koningen uitgebeeld vanwege een paar voorspellende oudtestamentische teksten, met name Psalm 72:10-11 (NBV): “De koningen van Tarsis en de kustlanden, laten zij hem geschenken brengen. De koningen van Seba en Saba, laten ook zij hem schatting afdragen. Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem.” De namen Melchior, Caspar en Balthasar duiken al rond 500 op in een geschrift uit Alexandrië, maar worden algemeen bekend door de invloedrijke Legenda Aurea, een verzameling heiligenlevens door Jacobus de Voragine uit circa 1260. In de loop van de middeleeuwen krijgen de koningen behalve namen ook symbolische betekenissen toebedeeld. Zo staan zij voor de drie levensfasen van de mens (jong, middelbaar en oud) en voor de drie continenten die destijds bekend waren: Azië, Europa en Afrika.
De drie koningen waren in de christelijke wereld ongekend populair. Vanaf de elfde eeuw werd hun verhaal verrijkt met allerlei nieuwe details. Er ontstond een ware cultus rond hun personen, vooral nadat hun vermeende stoffelijke resten in 1164 werden bijgezet in de Dom van Keulen. Dit bombardeerde Keulen tot een van de belangrijkste pelgrimsoorden van Europa. De populariteit van de drie koningen uitte zich in duizenden pelgrimsinsignes, driekoningenbriefjes en natuurlijk het driekoningenfeest. Dit van oorsprong kerkelijke feest kreeg steeds meer het karakter van een volksfeest, met tradities als het koningsspel, het kiezen van een ‘drinkkoning’ en het zingend langs de deuren gaan met een ster. In ons land beleefde het driekoningenfeest, dat zowel door katholieken als door protestanten werd gevierd, een hoogtepunt in de zeventiende eeuw. Diverse schilderijen van Jan Steen en andere schilders getuigen hier nog van.
Een multiculturele kerststal
In het achttiende-eeuwse Koninkrijk van Napels en Sicilië speelden de drie wijzen een belangrijke rol in een bijzondere artistieke traditie. Het gaat om de Napolitaanse kerststal, in het Italiaans presepe genoemd (letterlijk ‘kribbe’). De presepe was oorspronkelijk een kerkelijke traditie, die zich in de achttiende en negentiende eeuw snel verspreidde onder de Napolitaanse adel en de gegoede burgers, en daarna ook buiten Italië. Ook nu nog worden deze kerststallen gemaakt met honderden expressieve figuren in een theatraal decor. Bijzonder is dat ze niet alleen bestaan uit de traditionele bijbelse personages, zoals Maria, Jozef en het kindje Jezus. Profane figuren en elementen uit het dagelijks leven van het achttiende-eeuwse Napels spelen een minstens zo belangrijke rol.
De ‘aanbidding van de koningen’ is een vast onderdeel van iedere presepe. Hier vermengt het bijbelverhaal zich met de veelkleurigheid en de culturele diversiteit van de achttiende-eeuwse Napolitaanse straten. Juist in die tijd was de symboliek van de drie koningen actueler dan ooit.

In de achttiende-eeuwse Napolitaanse kerststal van Museum Catharijneconvent in Utrecht zijn de drie koningen tussen een wirwar van figuren te herkennen aan hun tulbanden met kroontje. Het dichtstbij staat de oude koning Melchior met zijn krullende grijze baard. Hij representeert het continent Europa en draagt een kistje met goud – symbool van het koningschap van Jezus. Vervolgens ontdek je Balthasar, de zwarte koning met zijn kromzwaard en blauwe harembroek, rechts vóór de Heilige Familie. Hij symboliseert het continent Afrika en houdt een wierookscheepje vast – symbool van Jezus’ goddelijkheid. Koning Caspar tenslotte, die het werelddeel Azië vertegenwoordigt, zit links van de Heilige Familie op een steigerend paard. Hij heeft een brede snor met een volle, donkere baard en draagt een kostbare bokaal met mirre – het symbool van Jezus’ menszijn, oftewel zijn sterfelijkheid.



Maar de koningen staan in de presepe niet op zichzelf; ze maken deel uit van een zeer divers en kleurrijk gevolg. Je weet eigenlijk niet waar je moet kijken: olifanten, struisvogels en dromedarissen, Afrikaanse vroedvrouwen en Turkse muzikanten, Georgische en Samaritaanse vrouwen, Albanese soldaten en Circassiërs (oorspronkelijke bewoners van de Noordelijke Kaukasus). Ze dragen kleding van zijde en goudbrokaat, versierd met edelstenen en parels, en hier en daar blinken gevaarlijke wapens. Is dit pure fantasie, of is dit bonte gezelschap in meer of mindere mate op de werkelijkheid gebaseerd? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moeten we eerst kijken naar de context waarin de traditie van deze barokke kerststallen tot bloei kwam.
Imago van een nieuw koninkrijk
Aan het begin van de achttiende eeuw was Napels een grote, multiculturele havenstad; na Londen en Parijs de grootste stad van Europa. Zuid-Italië was echter sterk verarmd en uitgeput door allerlei oorlogen. Napels viel destijds onder Oostenrijk en maakte deel uit van het Heilige Roomse Rijk. Tijdens de Poolse Successieoorlog tussen Oostenrijk en Spanje (1733-1738) werd Napels terugveroverd door Spanje. Karel VII (1716-1788), de zoon van Philips V van Spanje, werd in 1734 aangewezen als vorst van een nieuw, onafhankelijk koninkrijk: het koninkrijk van Napels en Sicilië.
Karel VII was een verlicht despoot, wat inhield dat hij werd beïnvloed door de ideeën van de verlichting en dat hij relatief veel rekening hield met de belangen van zijn onderdanen. De nieuwe koning wilde van Napels een moderne, welvarende stad maken. Samen met zijn vrouw, Maria Amalia van Saksen (1724-1760), liet hij meerdere paleizen, fabrieken en een theater bouwen. Het koningspaar ging op zoek naar de beste architecten, kunstenaars en ambachtslieden uit heel Europa. De aanwezigheid van het koninklijke hof in Napels stimuleerde de productie van zijde, porselein en andere luxegoederen.
In deze context van artistieke bloei en bevordering van de welvaart werd de Napolitaanse kerststal ontwikkeld tot een hoogstaande barokke kunstvorm. Karel VII begreep maar al te goed dat de presepe kon worden ingezet om Napels te promoten – een soort marketing avant-la-lettre. En het werkte: al snel werden de kerststallen niet alleen door het hof en de kerken besteld, maar wedijverden ook de rijke burgers om de allermooiste presepe. Ook in het buitenland werd de Napolitaanse kerststal een fenomeen. Vooraanstaande reizigers, onder wie de Duitse schrijver Johann Wolfgang von Goethe, prezen de Napolitaanse kerststallen in hun reisverslagen.
Tussen het heilige en het alledaagse
In de achttiende eeuw was een bezoek aan de presepe dan ook een spectaculaire ervaring, misschien nog het meest vergelijkbaar met het theater. Met als decor het bijbelse Bethlehem, maar dan in het achttiende-eeuwse Napels. In de presepe werden honderden figuren zorgvuldig geënsceneerd in een overvloedig decor van Napolitaanse huizen, rotsen, vulkanische bergen en antieke ruïnes. De kunstvorm van de barok wordt gekenmerkt door weelderigheid, overvloed en contrasten. Die contrasten zijn in de presepe overal aanwezig: rijk en arm, donker en licht, antiek en eigentijds, heilig en profaan. Naast de vaste bijbelse elementen uit het kerstverhaal waren er ook talloze wereldse en alledaagse scènes, die vaak werden ontleend aan actuele gebeurtenissen of aan de eigentijdse literatuur. Een ‘wereldse scène’ die nooit in de presepe ontbreekt is bijvoorbeeld de herberg, de tegenhanger van de heilige plek waar de kribbe staat. De herberg is de plek waar Jozef en Maria niet welkom waren, en waar volop wordt gegeten, gedronken, gedanst en verleid.
De presepe bracht het kerstverhaal dichterbij dan ooit. De realistische kerststal in miniatuur werd een verlengstuk van de wereld van de beschouwer, alsof hij er zelf binnenstapte. Napolitanen herkenden de gevels van huizen uit de straten van hun stad, inclusief het vulkanisch gesteente. Ze zagen de eigentijdse mode en ook de marktwaren, zoals de buffelmozzarella die werd geproduceerd om de economie te stimuleren. Ook herkenden ze talloze lokale sprookjes en figuren uit volkse toneelstukken, zoals de slapende herder Benino, die de boodschap over de geboorte van Christus rechtstreeks van God ontving in een visioen. De figuren in de presepe waren levensecht met hun fijngeboetseerde hoofden van terracotta, hun ogen van glas, handen en voeten van beschilderd hout en eigentijdse kleding. De individuele gezichtsuitdrukkingen en expressieve houdingen en gebaren, waardoor een levendige communicatie werd gesuggereerd, maakten de figuren nog indrukwekkender.
Bezoek van de ambassadeur van de Turkse sultan
Terug naar het levendige en internationaal diverse gezelschap van de drie koningen. Zoals gezegd, sijpelden ook actuele gebeurtenissen de presepe binnen. In 1741 arriveerde de ambassadeur van de Turkse sultan Mahmut I (1696-1754) met zijn gevolg in Napels. Het versterken van de internationale betrekkingen was onderdeel van de buitenlandpolitiek van Karel VII en de verlichtingscultuur aan het hof. De ambassadeur van Constantinopel – het huidige Istanbul – kwam om een verdrag te tekenen voor vrede en handel tussen het Ottomaanse Rijk en het Koninkrijk Napels en Sicilië. Hij verbleef met zijn Turkse gezanten meer dan een maand lang in de stad. Het gezelschap maakte een diepe indruk op de Napolitanen. Een tijdgenoot schreef: “We hebben de leden van het Turkse gezelschap door de straten van Napels zien lopen [...] in hun schilderachtige kleding; we hebben hun eigenaardige smaak en bijzondere gewoonten ontdekt; we hebben dieren bewonderd die we nog nooit eerder hadden gezien, dieren die als geschenk van de Heer werden gestuurd of gepresenteerd. Dit alles heeft nogal wat opschudding veroorzaakt en de echo’s zullen nog jaren nagalmen.”
De Napolitanen staarden met verbazing naar al die exotische pracht en praal, de voor hen vreemde wapens en instrumenten, tulbanden en wijde harembroeken. Dieren als olifanten en dromedarissen hadden zij nog nooit gezien. Koning Karel VII kreeg van de sultan als diplomatiek geschenk een olifant, waarmee hij zijn langgekoesterde wens kon vervullen: het stichten van een eigen dierentuin. In de presepe van Museum Catharijneconvent zie je de olifant bovenop een rots. De groep muzikanten die de rots afdaalt is een Turks fanfarekorps, een zogenoemde mehter. De trommelaars en blazers komen uit de traditie van de Turkse militaire marsmuziek. Ook deze Turkse muzikanten maakten veel indruk op de Napolitanen. Later organiseerde de koning een carnavalsoptocht met zo’n Turkse fanfare, waarin hij en zijn vrouw waren uitgedost in Turkse kostuums. Sindsdien is de mehter een vast onderdeel van elke presepe.
Het bonte gezelschap van de drie koningen was dus wel degelijk op werkelijkheid gebaseerd, al werd alles wat mooier gemaakt dan het was. De nadruk lag in de Napolitaanse presepe op het weerspiegelen van welvaart en op theatrale en ‘exotische’ effecten.
De vreemdeling: tussen vijandschap en exotisme
Het bezoek van de Turkse ambassadeur had het exotisme in Napels gestimuleerd, en dat gold ook voor bezoeken van de Ottomanen aan andere Europese steden in die tijd. Voor de Napolitanen en andere Europeanen had alles wat vreemd en buitenlands was, kortom ‘anders’ was dan de eigen cultuur, haast een magische aantrekkingskracht.
Dat was niet altijd zo geweest. De groeiende interesse in het Ottomaanse Rijk als een magisch gebied vol exotische kostbaarheden betekende een verschuiving ten opzichte van het oude beeld. In de collectieve herinnering van de Europese bevolking waren de Turken wrede plunderaars en genadeloze barbaren. In de middeleeuwen had het Ottomaanse Rijk zich razendsnel uitgebreid naar Centraal- en Zuidoost-Europa. In september 1529 stonden de Turken zelfs aan de poorten van Wenen. Hoewel de Turkse opmars daar tot stilstand kwam, had dit een ware schok veroorzaakt in christelijk Europa. Op diverse houtsnedes uit die tijd zijn Turkse wreedheden tegenover de Europese burgerbevolking in beeld gebracht, zoals het vermoorden van kinderen en het meeslepen van boeren als gevangenen. Zulke prenten speelden in op anti-Turkse sentimenten en droegen bij aan een negatieve beeldvorming. De ‘ander’ – de ‘moslim’, de ‘buitenlander’ – werd compleet gedemoniseerd.
De humanist Desiderius Erasmus (ca. 1466-1536) sprak in 1530 al kritisch over het ophitsen van de bevolking tegen de Turken: “Staaltjes van Turkse barbarij krijgen we intussen in geuren en kleuren uitgemeten. Eigenlijk zou dat ons moeten doen beseffen hoe terughoudend men behoort te zijn om met wie dan ook een oorlog te beginnen. Wat we zien is eenvoudig in álle oorlogen schering en inslag. Ook in die welke wij, christenen, al jaren op de meest goddeloze wijze tegen andere christenen voeren.”
Na de Vrede van Karlowitz in 1699 verbeterden de betrekkingen tussen het Ottomaanse Rijk en diverse Europese landen. Dit zorgde in het achttiende-eeuwse Europa voor een toenemende interesse in het ‘exotische Midden-Oosten’ als een gebied vol zeldzame kostbaarheden en magische verhalen, zoals de vertellingen van Duizend-en-een-nacht. De invloed van de Ottomaanse mode en cultuur werd overal zichtbaar. De Napolitaanse presepe is hiervan een treffend voorbeeld, te meer omdat de koningen en hun gevolg een eigentijdse gebeurtenis weerspiegelen. Ze getuigen van een verschuiving in de beeldvorming van de ‘ander’, die nog niet zozeer als een gelijkwaardig individu werd gezien, maar ook niet langer als een vijand. De vreemdeling werd eerder van een afstand bekeken met een mengeling van bewondering en ontzag.
Openbaring aan de hele wereld
De drie wijzen uit Mattheüs 2 kregen in de barokke kerststallen van het achttiende-eeuwse Napels een wel heel actuele betekenis. Hoewel de wijzen in het vroege christendom meestal werden afgebeeld als magiërs of Perzische vorsten, symboliseerden zij vanaf de middeleeuwen de drie bekende continenten, oftewel de hele wereld. Daarmee werd benadrukt dat het Oude Verbond, dat alleen voor de Joden gold, voorbij was met de komst van Christus en dat het Nieuwe Verbond alle volken op aarde insloot. Alle individuen en volken zouden Christus aanbidden en erkennen als hun Heer. Dit was de diepste betekenis van het feest van de Epifanie.
De drie koningen en hun bonte gevolg in de Napolitaanse presepe gaan daarin nog een stap verder. Niet alleen was het gevolg van de koningen nog nooit zó multicultureel en etnisch divers geweest, hun verschijning was ook nog eens gebaseerd op actuele gebeurtenissen. Politieke en maatschappelijke gebeurtenissen die het gevolg waren van vredesonderhandelingen en een bloeiperiode van de kunsten en wetenschappen. De drie koningen uit de Napolitaanse presepe brachten het oude verhaal dichterbij dan ooit. En nog steeds zijn ze actueel. Zo laten ze zien dat er een verschuiving mogelijk is in de collectieve beeldvorming van ‘de ander’, en dat het beter is om te verwelkomen dan om te demoniseren.
Rozanne de Bruijne, conservator Museum Catharijneconvent
Meer horen?
De Ongelooflijke Podcast #280 - Hoe betrouwbaar zijn de bronnen over Jezus? Als een detective door de evangeliën met Geurt Henk van Kooten
Literatuurverwijzing:
Carmine Romano, The 18th-century Naopolitan crèche. A masterpiece of baroque spectacle, Napels 2021.
Jan van Laarhoven, De beeldtaal van de christelijke kunst. Geschiedenis van de iconografie, Nijmegen/ Amsterdam 1992.
Peter van der Coelen, Landsknechten en Turken, tentoonstellingsbrochure Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam 2009.
Pim Arts, ‘Betlehem in Napels. De bronnen van een rijke traditie’ en ‘Napels is de hele wereld. Diversiteit in de presepe’, in: Catharijne december 2022, pp. 6-9 en pp. 18-20.
Meer leren over onze wereld en cultuur – door geschiedenis, kunst en geloof? Abonneer je op De Ongelooflijke Substack en ontvang iedere week nieuwe artikelen in je mail. De artikelen blijven gratis, wel kan je vriend van De Ongelooflijke worden om ons werk te steunen.









Wat een prachtig verhaal. In een tijd van oorlog en polarisatie heel passend. Niet een cultuur afwijzen waar je je heil hebt gevonden maar meedoen evenals het verwelkomen van vreemdelingen en openstaan voor wat hen beweegt. Europa, een continent van oorlogen waarbij de elite zich verrijkte en de bevolking berooid achterbleef waarbij de elite de financiers van oorlogen, de Joodse, de zwarte piet toespeelde. Hoe moest je anders je schuld terugbetalen.
Ik hoor elke verjaardag altijd van mijn oma’s dat ik op Driekoningen ben geboren. Wat een zegen om op deze feestdag te zijn geboren 🙏🏻