Waarom je een schedel op je bureau moet zetten
Het belang van memento mori
“We moeten de dood herwaarderen, als onderdeel van het leven.” Dat zei rouwdeskundige Manu Keirse in aflevering 274 van De Ongelooflijke Podcast. Volgens hem hebben we in onze samenleving de neiging de dood weg te stoppen – we zijn er bang voor en vermijden het liever. En zelfs in de medische wereld is de dood een onderwerp dat ‘compleet wordt vermeden’, stelt forensisch patholoog Frank van de Goot in onze meest recente aflevering.
Vroeger was dat wel anders: van Plato en Seneca tot benedictijnse monniken en calvinistische kooplieden, in de geschiedenis was het memento mori – het gedenken van de dood – juist een belangrijk onderdeel van het leven. En ja, als zowel onze christelijke als Grieks-Romeinse voorvaderen het deden, waarom wij dan niet?
Vanitas
Met onze huiskamers vol gezellige ‘live, laugh, love’-bordjes, is dat nu moeilijk voor te stellen, maar in de 17e eeuw waren schilderijen met schedels een ware rage in de Nederlandse huishoudens. Ze werden vanitas-schilderijen genoemd: een nieuwe stroming in de schilderkunst die vanaf circa 1620 in de Nederlanden enorm in zwang raakte en geïnspireerd was door een tekst uit het Bijbelboek Prediker: Vanitas vanitatum, omnia vanitas. “IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid.”
In een samenleving die door de internationale handel steeds rijker werd, fungeerden deze vanitas-schilderijen als een morele tegenhanger van de groeiende rijkdom. In sombere stillevens zien we symbolen die tonen dat het leven zomaar voorbij kan zijn: een schedel, een zandloper, bloemen die verwelken, kaarsen die zijn uitgedoofd.
In de hoogtijdagen van het calvinisme, hoorden de mensen vanaf de kansel dat ze vooral niet de rijkdom naar hun hoofd moesten laten stijgen. Alle aardse inspanningen waren uiteindelijk zinloos en leeg. De calvinistische kooplieden kochten de vanitas-schilderijen massaal in. Een prachtige ironie, want schilderijen die waarschuwden voor materialisme werden op die manier zelf statussymbolen. Hun waarde steeg zo snel dat ze uiteindelijk onbetaalbaar werden – vanitas in optima forma.




Plato en Seneca
Maar lang voor Nederlandse calvinisten hun huiskamers volhingen met schilderijen van schedels, was het nadenken over de dood al een belangrijk onderdeel van het leven. Zo is er een bekende legende van de Romeinse kerkvader Tertullianus (ca. 160-230) dat Romeinse keizers, wanneer zij een belangrijke overwinning hadden behaald, werden vergezeld door een slaaf die hen constant in het oor fluisterde dat ze sterfelijk waren.
Ook in de Griekse filosofie komt het begrip memento mori regelmatig terug. In de Phaedo van Plato zegt Socrates dat we filosofie moeten zien als een voorbereiding op de dood. Filosoferen is, volgens Socrates, eigenlijk ‘oefenen in het sterven’ (melete thanatou). Socrates staat dan zelf op het punt een gifbeker leeg te drinken – waartoe hij is veroordeeld – maar hij kent op dat moment geen angst. Hij betoogt dat de dood slechts een scheiding is tussen lichaam en ziel, en dat het dus heel normaal is dat het lichaam afsterft omdat de ziel verder leeft. Eindelijk zijn wij dan bevrijd van alle zintuigen en kunnen wij in vrijheid leven en denken.
Seneca, een van de bekendste stoïcijnse denkers, adviseerde om de dood constant in gedachten te houden. Als je elke dag even over de dood nadenkt, leef je je leven veel bewuster, zo beweert hij. Volgens Seneca zouden we iedere dag moeten leven alsof die dag ‘een compleet leven’ op zichzelf is. Dat betekent: geen zaken meer uitstellen, maar elke dag afronden alsof je morgen zou sterven.
Benedictus
In de christelijke traditie zijn er twee groepen die het memento mori heel nauw hebben verweven in hun traditie: de Benedictijnen en de Cisterciënzers. Beide kloosterordes volgen de Regel van Sint Benedictus (Regula Benedicti), een verzameling voorschriften uit de 6e eeuw, waarin Benedictus schrijft dat je “de dood dagelijks voor ogen moet hebben”. Voor de Cisterciënzers, in de volksmond bekend als de Trappisten, geldt dit nog altijd als de lijfspreuk van de orde.
In de Regel vermeldt Benedictus niet hoe het gedenken precies vorm moet krijgen. Maar de monniken waren creatief: in Benedictijnse- en Trappistenkloosters ontstonden door de eeuwen heen verschillende rituelen die de monniken hielpen de dood dagelijks voor ogen te houden. Zo was het gebruikelijk om op de begraafplaats naast het klooster, bewust een graf open te laten. Deze begraafplaats lag vaak op een vaste dagelijkse looproute, bijvoorbeeld tussen de refter (de eetzaal) en de kapel, zodat de monniken er telkens langs kwamen. Het open graf liet hen zien: ik zou de volgende kunnen zijn.
Ook binnen de kloostermuren waren er overal symbolen die de monniken hieraan moesten herinneren. In een Frans Trappistenklooster waren de woorden Hodie mihi, cras tibi – ‘vandaag ga ik dood, morgen jij’ – groot boven de kloosterdeur aangebracht. En in de refter van het Zwitserse Trappistenklooster La Valsainte stond een groot wit kruis, met daarnaast een schedel. Zelfs de dagelijkse omgang was doordrongen van dit besef: wanneer twee monniken elkaar ontmoetten, groette de één met memento mori, waarop de ander antwoordde met deo gratias – God zij dank.
Er zijn verhalen bekend van monniken die op hun bureau een schedel bewaarden: de zorgvuldig gereinigde schedel van een overleden broeder. Wat voor buitenstaanders absurd of macaber kan klinken, was voor hen juist een bron van rust. De voortdurende herinnering aan de dood hielp hen zich te richten op hun uiteindelijke bestemming. Een van de meest opzienbarende voorbeelden van deze memento mori-traditie is de Crypte van de Capucijnen in het hart van Rome. In dit ossuarium zijn de botten en schedels van generaties overleden broeders niet slechts bewaard, maar verwerkt tot kunstzinnige patronen langs wanden en plafonds. Alles in de crypte is erop gericht de nog levende monniken te laten nadenken over hun eigen sterfelijkheid. In de kapel vat een ingegraveerde spreuk deze gedachte kernachtig samen:
“Wat jullie nu zijn, waren wij ooit; wat wij nu zijn, zullen jullie worden.”
Ook vandaag de dag zijn er in de Nederlandse Benedictijnen- en Trappistenkloosters zusters en broeders die aan het memento mori invulling proberen te geven. In de Kloostercast vertelt Zuster Julian van het Trappistinnenklooster Abdij Koningsoord in Arnhem dat zij allerlei manieren heeft gevonden om aan de dood te denken. Zo is zelfs het traplopen voor haar een oefening geworden in het ‘sterven’: aan het begin van de trap stelt ze zich voor dat ze bij elke trede ‘de dood tegemoet loopt.’
Je dood herdenken
Toch blijft de vraag: waarom zou je bewust bij de dood stilstaan? Dagelijks langs je eigen graf lopen of een schedel op je bureau plaatsen – het klinkt allemaal vrij zwaarmoedig. Zeker in deze veeleisende tijd, waarin steeds meer mensen een beroep doen op de GGZ, kun je je afvragen of het wel gezond is om voortdurend stil te staan bij het einde. Kunnen we niet beter leren lichter te leven?
Maar juist het besef dat het leven vergankelijk is, is wat het leven van de Grieken en Benedictijnse monniken lichter maakte. Het inzicht dat het leven eindig was stemde hen niet somber, maar bood troost, omdat het hen liet zien wat er daadwerkelijk toe deed.
De bekende Amerikaanse Trappisten-monnik Thomas Merton schreef over de dood als iets wat hem bevrijdde van zijn ‘valse zelf’. Merton was een bekend schrijver – zijn boeken waren bestsellers in de jaren ‘70 en ‘80 – maar tot aan zijn dood worstelde hij met deze bekendheid. Hij beschreef het als een schaduw die op zijn nek drukte.
Voor hem bleek juist de dood ‘leven te brengen'. Merton schrijft dat de mens vaak met wrok en angst leeft omdat we ons aan het heden vastklampen. Maar wanneer we beseffen dat we onderdeel zijn van iets groters – wat boven onszelf uitstijgt – kan God ons losmaken van dit krampachtige vasthouden, waardoor we werkelijk vrij en vreugdevol kunnen worden.
Je kunt Mertons kijk op de dood vergelijken met het staren in de nacht.
Door niet weg te kijken van het feit dat we sterfelijk zijn, ga je het leven om je heen juist scherper en mooier zien. Als je je dagelijks bewust bent van de dood, wordt het een soort richtlijn voor hoe je leeft. Zo leerde hij de dood niet te zien als iets vreemds, maar als een normaal en natuurlijk deel van het leven.
Ook zuster Julian van het Trappistenklooster Abdij Koningsoord herkent dit. Op de vraag waarom zij bewust over de dood nadenkt, antwoordt ze:
“De dood geeft mijn leven richting. Het is constructief en creatief. Het is de overgave aan de eindigheid van mijn aardse bestaan.”
Daarbij verwijst ze naar de woorden van de apostel Paulus: “Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij.” Het traplopen wordt voor haar een dagelijkse oefening om deze boodschap in zichzelf te laten opklinken. “Elke dag opnieuw,” zegt ze, “heb ik de keuze om mijn oude, op mijzelf gerichte ik onder aan de trap achter te laten en mij, trede voor trede, te bekleden met de nieuwe mens.”
Meer leren over onze wereld en cultuur – door geschiedenis, kunst en geloof? Abonneer je op De Ongelooflijke Substack en ontvang iedere week nieuwe artikelen in je mail. De artikelen blijven gratis, wel kan je vriend van De Ongelooflijke worden om ons werk te steunen.







Vanaf begin 13e tot begin 16e eeuw leefde de legende over de ontmoeting van de drie levenden en de drie doden. Afgebeeld als drie edelen al of niet te paard en op jacht die drie rechtopstaande en soms liggende doden ontmoeten. De levenden deinzen terug, de doden gesticuleren en roepen op tot boetedoening. De oudst bekende afbeelding van rond 1225 is een fresco in de Santa Margarita bij Melfi (Italië) en de oudste tekst van rond 1250 is een gedicht Baudouin de Conde gericht aan Margareta, de tweede gravin van Vlaanderen.
Ik herinnerde me dit verhaal, met uitvoerige beschrijving, van een boek van Jan Hendrik van den Berg, toenmalig hoogleraar te Leiden; een boek dat ik in 1965 kocht in mijn studententijd te Leiden met de titel 'Het menselijk lichaam' in twee delen. Ik heb het weer even uit mijn kast gehaald.
Er zijn meerdere fresco's over deze legende in kerken in Europa, indertijd te zien voor alle kerkgangers. Dit i.t.t. de Vanitas schilderijen; die hingen bij de gefortuneerden in de kamer.
Kees Vreeken, Wageningen