Waarom de Nederlandse democratie in de jaren ’30 niet ten onder ging
Essay van Beatrice de Graaf over de honden die niet blaften
De jaren dertig van de vorige eeuw, waren jaren van crises: economische rampspoed, politieke onrust en zelfs gewelddadige revoluties. In de onrust die zich verspreidde door heel Europa, grepen totalitaire regimes de macht en werden democratieën ondergraven en begraven. Zo veranderde Duitsland razendsnel in een totalitaire dictatuur, na de machtsovername van de nazi’s in 1933. Maar in die woelige oceaan was een eiland van relatieve rust: Nederland. Hoewel ook daar de roep om een sterke man klonk, stortte de democratische rechtstaat niet in. In dit essay laat historicus Beatrice de Graaf zien waarom de Nederlandse democratie, in tegenstelling tot andere Europese democratieën, overeind bleef en de honden van het extremisme niet konden blaffen.
“Het karakter van het Nederlandse volk zou ertoe kunnen leiden dat het niet zo sterk op verschillende prikkels reageert als andere volkeren in het buitenland”, merkte de Nederlandse inlichtingendienst op 24 november 1933 op. “Toch moeten we toegeven dat we ook in ons land een ommekeer in de volksziel kunnen meemaken. Er klinkt nu een roep om orde en sterke autoriteit in staat en samenleving.” Ook de Nederlandse historicus Johan Huizinga, die in zijn tijd al beroemd was, sprak in 1933 een waarschuwing uit. Hij beschouwde de opkomst van het “hedendaagse nationalisme” als een “ernstige bedreiging voor Europa”.
In de nieuwste aflevering van De Ongelooflijke Podcast is Beatrice de Graaf te gast, om onder andere dit essay te bespreken.
Colijn aan het roer
Deze roep om orde klonk inderdaad niet alleen in Duitsland en Oostenrijk, maar ook in andere landen op het Europese vasteland. Nederland vormde daarop geen uitzondering. In politieke spotprenten uit die tijd en op verkiezingsaffiches werd premier Hendrikus Colijn vaak afgebeeld als een kapitein die het staatsschip door stormen en crises naar veilige havens in de verte loodste. Het beeld van Colijn aan het roer was aansprekend en populair (niet in de laatste plaats omdat het teruggreep op de grote zeevaarttraditie van Nederland). Het werd keer op keer opgepakt in publieke voorstellingen en discussies, bijvoorbeeld in een afbeelding die op 24 september 1933 in De Telegraaf en in andere kranten werd afgedrukt rond Prinsjesdag. De krant beschreef de Nederlandse minister-president als kapitein van het ‘staatsschip’, dat hij wegstuurde van de ‘politiek’ en de ‘crises’ in Frankrijk en Oostenrijk.

In 1933 streden in feite ongeveer 54 partijen om de 100 zetels in de Tweede Kamer van het Nederlandse parlement, waaronder de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Maar gedurende de periode van 1918 tot 1940 behielden de drie grote, confessionele partijen (partijen die zich baseerden op een godsdienstige overtuiging) samen een meerderheid in het parlement. De protestantse Anti-Revolutionaire Partij (ARP), de Christelijk-Historische Unie (CHU) en de katholiek georiënteerde Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) behaalden in de jaren dertig steeds 65 van de 100 zetels.
Maar waarom leidde de roep tot orde in Nederland niet tot radicalisering en een autoritairder vorm van bestuur? En waarom heeft de Nederlandse democratie de stormen van crisis en onrust doorstaan? In dit essay wil ik laten zien dat er weliswaar honden waren die blaften en fascistische of fascistoïde neigingen toonden, maar dat men erin slaagde hen het zwijgen op te leggen. Dat gebeurde door het instellen van veiligheidsmaatregelen voor het identificeren en onderdrukken van extremistische tendensen, en het verbieden van extremistische handelingen en optredens in de openbare en politieke ruimte.
De Nederlandse neutraliteit
De bovengenoemde pogingen om de blaffende honden, dat wil zeggen het extremisme, een muilkorf om te doen, kunnen alleen goed worden begrepen als we deze plaatsen in de context van de Nederlandse neutraliteit, die tijdens de Eerste Wereldoorlog en in de jaren daarna nieuw leven werd ingeblazen. De Eerste Wereldoorlog werkte als katalysator voor het nationale en internationale veiligheidsbeleid van Nederland. En het veiligheidsbeleid dat werd ingevoerd tijdens de oorlog, stelde Nederland uiteindelijk in staat het politieke extremisme in te dammen.
De defensiestructuur van het land was structureel versterkt door de invoering van de legerwetten, die in 1912 waren opgesteld door Colijn, de toenmalige minister van Oorlog. Veiligheid betekende aan het begin van de 20e eeuw dat Nederland er proactief naar moest streven onder alle omstandigheden neutraal te blijven, “als een oog in de storm van spanningen” tussen Engeland, Duitsland en Frankrijk. Dit hield in dat de ‘hard power’ van de Nederlandse verdediging van zeer hoog niveau moest zijn om een serieuze afschrikkende werking te kunnen hebben. Tegelijkertijd betekende het dat de ‘soft power’ van de Nederlandse politieke cultuur geen aanleiding mocht geven tot belediging van een van de oorlogvoerende partijen. Bovendien vereiste dit veiligheidsbeleid dat er vanaf Nederlands grondgebied geen vijandige acties zouden worden ondernomen. Het was een dunne lijn die moest worden bewandeld in een situatie die steeds onoverzichtelijker en explosiever werd.
Op 1 augustus 1914 stonden 200.000 man onder de wapenen om de grenzen met de buurlanden van Nederland te beveiligen. En meer dan een miljoen Belgische vluchtelingen – bij een Nederlandse bevolking van 6,24 miljoen – werden opgevangen en geïnterneerd. De zwarte handel en smokkel waren wijdverbreid; spionagezaken smeulden en laaiden soms zelfs op. De onderzeebootoorlog die eind 1916 door de Duitsers was begonnen en de daaropvolgende tekorten en prijsstijgingen maakten de economische situatie steeds slechter en leidden tot verschillende vormen van onrust.
Dreiging van revolutie
Om politieke bedreigingen voor de gewapende neutraliteit te identificeren en te onderdrukken, investeerde de Nederlandse regering in eerste instantie in de oprichting van een reeks nieuwe veiligheidsdiensten. Het was hun taak om de neutraliteit te handhaven, opstanden en onrust te voorkomen, de democratische orde proactief te beschermen en daarbij een delicaat evenwicht tussen de verschillende partijen te bewaren. In 1917 werd, naast de Koninklijke Marechaussee, een nieuwe militaire politiedienst opgericht om de orde binnen de strijdkrachten te handhaven.
Op 12 november 1918 probeerde Pieter Jelles Troelstra, leider van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), een revolutie te ontketenen. Dit in navolging van de revolutie in Duitsland en ook aangewakkerd door een opstand twee weken eerder onder de militairen in de kazerne van Harskamp. Er bestond grote vrees dat, zoals Troelstra had voorspeld, de strijdkrachten de kant van de arbeiders zouden kiezen.
De poging van 12 november mislukte, maar binnen vijf dagen werd uit angst voor een verspreiding van de revolutie de Derde Afdeling van de Generale Staf van de strijdkrachten (GS-III) gereorganiseerd en omgevormd tot de eerste Nederlandse binnenlandse inlichtingendienst. De dienst kreeg de opdracht om de moraal in het land te bewaken en buitenlandse spionnen op te sporen. Nadat begin 1919 in Berlijn de communistische Spartakusopstand plaatsvond, gaf de GS-III een alarmerende waarschuwing af over “duizenden Spartakisten” die op het punt zouden staan de grens met Nederland over te steken. Daarop werd aan de ontluikende nationale veiligheidsstaat nog een instantie toegevoegd: een zwaarbewapend politiekorps. Er werd een heuse veiligheidsgordel van nationale veiligheidsdiensten rond de grote steden gelegd om eventuele opstanden of extremistische activiteiten te onderdrukken.
De uitbreiding van deze nieuwe veiligheidsmaatregelen werd belichaamd door de eerdergenoemde orthodoxe calvinist Colijn. Als minister van Oorlog had de voormalige koloniale officier de strijdkrachten in de periode van 1910 tot 1913 zodanig gemoderniseerd dat ze in 1914 in staat waren tot een snelle mobilisatie. Colijn was premier van 1925 tot 1926 en opnieuw tussen 1933 en 1939. Hij dankte zijn positie aan de zogenaamde conservatieve reflex, die voortkwam uit een in wezen burgerlijke samenleving. De boerenzoon was een oprecht man met een neiging tot strengheid en voldeed daarmee volledig aan de behoefte van de bevolking aan een “sterke man”.
De uitbreiding van de veiligheidsstaat in Nederland vloeide voort uit een belang dat boven alle andere kwesties stond: neutraal en afstandelijk blijven in het oog van de storm die zich op het continent aan het samenpakken was.
Extremisme van links en rechts
Dit beleid van het handhaven van neutraliteit was allesbehalve passief of vreedzaam. Opstanden en acties van politieke activisten of extremisten werden in de kiem gesmoord, indien nodig met getrokken wapens. Het richtte zich ook niet slechts tegen één soort extremisme. Aangezien orde en neutraliteit in alle opzichten het overkoepelende politieke uitgangspunt was, hielden de veiligheidstroepen zowel linkse als rechtse extremistische incidenten in de gaten.
Na de goedkeuring van een reeks bezuinigingsmaatregelen in 1922 werden de defensie-uitgaven vanaf de jaren dertig weer verhoogd. Bovendien probeerde de regering-Colijn vanaf 1933 opnieuw een duidelijk verband te leggen tussen internationale veiligheid, nationale defensie en binnenlandse weerbaarheid tegen onrust. Uitbarstingen zoals de textielstaking in Twente van 1931-1932, de Jordaanrellen in 1934 (waarbij vijf mensen omkwamen en 56 gewond raakten) of de muiterij op de Zeven Provinciën op 4 februari 1933 (waarbij 23 mensen omkwamen) bevestigden het scenario dat de revolutie op handen was, of die nu van links of van rechts zou komen.
Er werd opnieuw een reeks pogingen ondernomen om diverse radicale bewegingen en extremistische tendensen te onderdrukken. Het kabinet-Colijn, dat bij de verkiezingen van april 1933 had beloofd het gezag te herstellen, stelde oproer strafbaar en beperkte de persvrijheid. Tegen deze achtergrond moet de opmerking van de inlichtingendienst van oktober 1933, zoals geciteerd in de inleiding, worden begrepen: binnen de Nederlandse staat en de Nederlandse samenleving werd ernstige onrust gemeld, maar om de nationale en internationale veiligheid van Nederland te beschermen, moest de democratische orde worden verdedigd tegen extremisten van alle pluimage.
Verbod voor ambtenaren
Om deze reden vaardigde de regering in juli 1933 een verbod uit voor ambtenaren om zich in te zetten voor extremistische organisaties of deel te nemen aan hun activiteiten. Bovendien was het militairen verboden actief te zijn in de SDAP en de daaraan gelieerde Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), aangezien deze organisaties voorstander waren van eenzijdige ontwapening.
Velen vermoedden dat het verbod voornamelijk was uitgevaardigd als reactie op de snelle groei van de NSB in Nederland, maar in werkelijkheid werd deze organisatie pas enkele maanden later, in december 1933, op de zwarte lijst geplaatst. De in 1931 opgerichte NSB kende pas na de machtsovername door Hitler op 30 januari 1933 een aanzienlijke groei. In januari 1931 telde de partij slechts duizend leden. In juni was het ledenaantal al gestegen tot zesduizend. En tot december 1933 wist de organisatie elke week duizend nieuwe leden te werven, waardoor het ledenaantal eind 1933 twintigduizend bedroeg. Het verbod voor ambtenaren vormde een ernstige rem en een belemmering voor een verdere toestroom van leden naar de rechtse beweging. Bovendien steunden de katholieke en de protestantse kerk deze overheidsinterventie en gaven zij eigen verklaringen af waarin zij hun leden verboden zich bij de NSB aan te sluiten.
Het verbod gold ook voor soldaten en reservisten. Bovendien voerde het kabinet-Colijn een verbod op uniformen in om ervoor te zorgen dat de in het zwartgeklede officieren van de Weerbaarheidsafdeling (WA), de knokploeg van de NSB, van de straat verdwenen. NSB-leden konden hun optochten niet meer houden of in uniform rondlopen om voor hun partij te werven. Beide maatregelen betekenden een zware klap voor de reputatie van de NSB in de samenleving. Ze werd niet langer beschouwd als een “fatsoenlijke” politieke partij. Alleen de door de regering goedgekeurde Vrijwillige Landstorm, in 1918 opgericht als een soort civiele paramilitaire organisatie, mocht trainingen, schietoefeningen en congressen organiseren. Met ongeveer 90.000 leden in 1939 en afdelingen in meer dan 1300 steden en gemeenten werd de Landstorm in de jaren dertig steeds populairder en diende daarmee ook als afleidingsmanoeuvre van extremistische organisaties.
Het doel van het verbod was echter niet om politieke ideologieën het zwijgen op te leggen, maar om de openbare orde en rust in het algemeen te handhaven. Daarom werd het verbod in de praktijk alleen gehandhaafd wanneer de openbare orde acuut in gevaar was. Voor het overige konden ook extreme ideologische standpunten gerust in het openbaar worden verkondigd. Het verbod op lidmaatschap van de NVV en de SDAP voor ambtenaren gold overigens niet voor de politie op nationaal en gemeentelijk niveau. Zo waarschuwde het conservatieve tijdschrift De Rijkseenheid in 1934 voor een “rood-roze invasie” van ambtenaren. “Zal het Ministerie van Koloniën in rode handen terechtkomen?”, vroeg het tijdschrift aan premier Colijn na de onthulling dat sommige ambtenaren, zoals B. B. Colthof, lid waren van de Communistische Partij van Nederland (CPN). Maar volgens Colijn was Colthof een uitstekende ambtenaar die de openbare orde niet in gevaar bracht, en in zoverre gold het verbod niet voor hem.
Na juli 1934 namen het aantal en de omvang van de stakingen en onlusten af, zoals de binnenlandse veiligheidsdienst met enige voldoening meldde, en verloren de vakbonden leden. De dienst constateerde in 1938 dat het gebrek aan “vooruitzichten op een herstel van het economische leven, in combinatie met het besef dat wij zelf praktisch machteloos zijn, (…) onder de werklozen en in de middenklasse (…) moedeloosheid en berusting veroorzaakt” in plaats van tot radicalisering leidde. Dit bevestigde ook de redenering die in een debat in de Eerste Kamer naar voren kwam, namelijk dat met de “juiste inzet van onze constitutionele instellingen” het politieke extremisme vanzelf zou verdwijnen. Zowel de binnenlandse veiligheidsdienst als de regering hoopten dat de afzwakking van extremistische standpunten ook op het internationale toneel zichtbaar zou worden. Nog in 1939, toen hij zich opnieuw op de mobilisatie voorbereidde, sprak minister-president Colijn de hoop uit dat Nederland niet aan een “directe bedreiging” door politiek extremisme zou worden blootgesteld.
Een strategisch spel
De historicus Hans Blom heeft het Nederlandse “nationalisme” gedefinieerd als een “volwassen, zelfgenoegzame overtuiging van de uniciteit en voorbeeldigheid van de Nederlandse samenleving”. Fascisme en nationaalsocialisme werden als onbeschaafd en onfatsoenlijk beschouwd, omdat ze te luidruchtig waren. De regering presenteerde zich als de ‘personificatie van beleefdheid’ en probeerde deze burgerlijke kenmerken zoveel mogelijk in stand te houden. In de woorden van Colijn zelf: in plaats van terug te vallen op ‘militair pathos’, kwam de Nederlandse variant van nationale gevoelens, die in de loop van de jaren dertig toenam, vooral tot uiting in luidruchtige steun voor het Huis van Oranje, “De geest van de natie”. Maar hoe kunnen deze gematigdheid en deze afkeer van extremisten van links of rechts worden verklaard?
De geopolitieke ligging van Nederland is hierbij van belang, het lag ingeklemd tussen grote continentale en Atlantische spelers. Zowel steun van het Verenigd Koninkrijk (om het enorme Nederlandse koloniale rijk in de overzeese gebieden in stand te kunnen houden) als goede betrekkingen met Duitsland (om handel en verkeer te waarborgen) waren van essentieel belang. Sinds de oprichting als republiek en vervolgens na 1813 als koninkrijk waren de Nederlanden altijd een netto-ontvanger geweest van internationale turbulenties en onrust. Nederland kreeg meer onrust van buitenaf binnen, dan dat het zelf onrust exporteerde.
Met de herinnering aan de laatste verschrikkelijke Franse invasie uit 1795 en het pure “geluk” dat ze tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal en buiten schot waren gebleven, klampten de Nederlanders zich vast aan hun ongenaakbaarheid en probeerden ze proactief het beste uit hun neutrale positie te halen. In dit strategische spel konden binnenlandse onrust en openbare opstanden het kwetsbare evenwicht alleen maar verstoren.
Blaffende honden
Deze geopolitieke belangen en beperkingen gingen gepaard met de politieke cultuur van een burgerlijke, door religie gekenmerkte en sterk gefragmenteerde samenleving, en zorgden zo voor een overkoepelende drang om gematigdheid te betrachten en de aan beide kanten opkomende extremen te beteugelen. Nederland leed in de late jaren twintig net zo onder de internationale crisis als de omringende landen. De grote politieke partijen hielden echter vast aan een combinatie van neutraliteit en gematigdheid. De sterk geïnstitutionaliseerde, goed georganiseerde conservatieve mainstream-partijen, trachtten een geest van gematigdheid in stand te houden en de orde te bewaren (waarbij deze orde uiteraard was gericht op een conservatief, confessionele wereldbeschouwing). Vanuit dit gematigde, confessionele perspectief werd een soort “weerbare democratie” avant la lettre opgebouwd, die erop gericht was de extreme groeperingen aan de rand in te dammen, in plaats van ze in de kern van de partij te laten binnensijpelen.
De beslissingen van de politieke elite in Nederland verschilden duidelijk van de politieke elites in Frankrijk, een land waar de democratie ternauwernood heeft overleefd en in Duitsland en bijna overal elders waar de democratie ten val is gebracht. Hier biedt het feit dat de regeringspartijen hun best hebben gedaan om ervoor te zorgen dat de honden niet blaften (laat staan beten) wellicht een verklarend contrast met de Duitse situatie, waarin de (nationaalsocialistische) honden helemaal niet aan de leiband werden gehouden, maar op de samenleving werden losgelaten.
Orde en vrede
In zijn bekende werk Crisis en critiek der democratie, dat in 1968 verscheen maar een terugblik bood op de jaren dertig, introduceerde de marxistische historicus A. A. de Jonge het onderscheid tussen een “kleine” en een “grote” crisis van de democratie met betrekking tot het interbellum. Volgens de Jonge ondermijnden in ‘grote crises’ verschillende totalitaire bewegingen actief ‘de belangrijkste grondslagen waarop de democratie rustte’. Of het nu Italiaanse fascisten, Duitse nationaalsocialisten of Russische stalinisten waren – ze vormden allemaal een existentiële bedreiging voor de democratische rechtsstaat. Een dergelijke dreiging was in Nederland niet in zicht. Toch werd het land geteisterd door een ‘kleine crisis’ van de democratie: er werd voortdurend kritiek geuit op de instellingen van de parlementaire democratie, en deze instellingen lieten inderdaad te veel mensen in de steek en hadden veel van hun representatieve aantrekkingskracht verloren.
Zoals historicus Koen Vossen heeft uiteengezet, is het moeilijk om deze stelling empirisch te onderbouwen en vast te stellen hoe diep het crisisgevoel echt in de samenleving was verankerd. Er heerste grote onrust, zowel op politiek, sociaal als economisch vlak. Er ontstonden talrijke radicale partijen aan de linker- en rechterzijde, en in de buurlanden slaagden deze partijen erin de macht te grijpen en de democratische rechtsstaat terug te dringen. Gezien deze dreiging kwamen confessionele elites bijeen om pogingen te ondernemen de vloedgolf van extremisme van alle kanten in te dammen. Niet omdat ze zulke grote verdedigers van de mensenrechten waren of geschokt waren door het antisemitische karakter van de stromingen in Duitsland, dat was niet hun voornaamste drijfveer. Ze waren veelmeer conservatieve verdedigers van orde en vrede, wat naar hun mening de belangen van hun meerpartijenstelsel en de geopolitieke positie van hun land het beste diende.
Dit essay verscheen eerder als artikel in het boek ‘Als die Demokratie starb: Die Machtergreifung der Nationalsozialisten - Geschichte und Gegenwart’ (2022).
Meer horen?
De Ongelooflijke Podcast #300 - Waarom Nederland geen nazi-Duitsland werd - en Hongarije Orbán wegstemde (met Beatrice de Graaf en Stefan Paas)
Meer leren over onze wereld en cultuur – door geschiedenis, kunst en geloof? Abonneer je op De Ongelooflijke Substack en ontvang iedere week nieuwe artikelen in je mail. De artikelen blijven gratis, wel kan je vriend van De Ongelooflijke worden om ons werk te steunen.








Erg interessant essay, dank.
Zou je kunnen zeggen dat de overheidsinspanningen om de democratie veilig te stellen ook niet sterk gedreven werden door en in overeenstemming waren met de toenmalige NL Veiligheids strategie en daaraan gekoppeld national belang? Namelijk dat 'aan het begin van de 20e eeuw dat Nederland er proactief naar moest streven onder alle omstandigheden neutraal te blijven, “als een oog in de storm van spanningen” tussen Engeland, Duitsland en Frankrijk'. Dus geen kanten kiezen en geen van de buren irriteren.
Anno 2026 heeft Nederland een duidelijk andere, niet langer neutrale, veiligheidsstrategie lijkt mij, zeker bijv tov Rusland agv de inval in Ukraine. Wat zou dat dan anno nu moeten en kunnen betekenen in onze omgang met de democratie en de vele verschillende of zelfs extreme stemmen?
Interessant essay!
Technisch dingetje:
Met 'week' in onderstaand citaat zal 'maand' bedoeld zijn om de uitkomst van de rekensom kloppend te krijgen:
"En tot december 1933 wist de organisatie elke week duizend nieuwe leden te werven, waardoor het ledenaantal eind 1933 twintigduizend bedroeg."