Hoe onze tijd van ons geroofd wordt
Paul Schenderling over de historische strijd om tijd
De wijze waarop een samenleving tijd ordent, weerspiegelt haar diepste waarden. Onze cultuur wordt gekenmerkt door burn-outs, tijdsdruk en de voortdurende ervaring van tekort, waarbij vrije tijd steeds vaker iets lijkt dat gevuld, benut of geoptimaliseerd moet worden. Econoom Paul Schenderling laat in dit essay zien dat dit geen toevallige ontwikkeling is, maar het gevolg van diepgewortelde culturele en economische verschuivingen – en verkent hoe het, aan het begin van een nieuw jaar, ook anders kan.
Wanneer heb jij voor het laatst de vraag gehad wat jouw hobby’s zijn? Ik kan het me niet herinneren, zó lang is het geleden dat iemand ernaar vroeg. Gelukkig heb ik mijn schoonvader nog, die veel hobby’s heeft en daar leuk over kan vertellen. Daaruit spreekt de liefde voor bepaalde handelingen omwille van de handeling zelf: het maken, het spelen, het bakken, het musiceren, het ontdekken en begrijpen, het knutselen, het schrijven. Laatst haalde hij de krant, omdat hij volgens een eeuwenoude traditie uit Oost-Nederland een midwinterhoorn maakte en bespeelde.
Zijn mensen als mijn schoonvader een uitstervende soort? Daar lijkt het wel op. De teloorgang van hobby’s staat symbool voor een bredere historische ontwikkeling: het verdwijnen van culturele idealen over onze tijdsbesteding. Hoe besteden we idealiter onze tijd? En: hoe maken we mensen vrij om hun tijd zoveel mogelijk volgens dit ideaal in te delen? In veel tijden en culturen was dit niet zomaar een ideaal, het was hét ideaal dat de cultuur bepaalde: bij de oude Grieken, in het Jodendom, in de Romantiek, en ook nog in het vroege liberalisme en socialisme.
Geen verzet
Natuurlijk heeft de ideale tijdsbesteding de hele geschiedenis door onder druk gestaan: het ‘rijk van de noodzaak’ – alles wat nu eenmaal moet gebeuren – heeft de vrije tijd van grote groepen mensen altijd bedreigd. En de heersende klasse heeft altijd geprobeerd – vaak met succes – om de tijd van de werkende klasse te roven en manipuleren. Het grote verschil tussen vroeger en nu is dat we ons sinds pakweg de tweede helft van de negentiende eeuw niet eens meer actief verzetten tegen het toenemende verlies, de inmenging en de betekenisloosheid van onze tijdsbesteding.
Ga maar na: omdat de lonen de afgelopen decennia niet langer automatisch meebewegen met de productiviteit en de inflatie, zien grote groepen werkenden zich genoodzaakt om meer uren te werken. Dit geldt in het mondiale Noorden met name voor mensen met een laag inkomen, in het mondiale Zuiden voor vrijwel de hele werkende klasse, en in veel extremere mate. Daarnaast worden mensen uit de middenklasse en de rijken, die niet door een laag inkomen gedwongen zijn om veel te werken, daar tóch toe aangezet, omdat ze verleid worden om status, carrière of luxe na te streven. En de tijd die mensen ondanks dit alles vrij weten te houden van produceren en consumeren? Die slokken de media, waaronder sociale media, gretig op.
De tijd die we besteden aan sociale contacten is juist substantieel afgenomen
Als we bijvoorbeeld kijken naar de vrijetijdsbesteding van Nederlandse volwassenen, dan zien we dat het mediagebruik al decennialang (sinds 1975 om precies te zijn) toeneemt, tot gemiddeld 20 uur per week in het meest recente onderzoek.1 Dat is ongeveer de helft van de totale vrije tijd die mensen hebben, en meer dan onze tijdsbesteding aan zorg voor het huishouden of aan persoonlijke verzorging. Dit wordt ook wel de aandachtseconomie genoemd. De tijd die we besteden aan sociale contacten is juist substantieel afgenomen, van gemiddeld 11,5 uur in 1975 tot 8,2 uur in 2016. De deelname aan vrijwilligerswerk is gelijk gebleven, maar wel op een relatief laag niveau van gemiddeld 1,7 uur per week.
De vraag die ik in dit essay stel is niet: hoe komt het dat de economie zoveel invloed heeft op onze tijdsbesteding? Wat ik wil begrijpen, is: waarom hielden in het verleden, nota bene onder veel moeilijker economische omstandigheden, culturele idealen over tijdsbesteding wél stand, en waarom lukt dat in onze tijd niet meer? Wat zegt dat over onze cultuur? En: hoe verzet je je daartegen?
De Griekse tijdswaardering
Laten we eerst de geschiedenis induiken. Een fascinerend cultureel ideaal van tijdsbesteding treffen we bij de oude Grieken. Zij maakten een onderscheid tussen vier soorten tijdsbesteding.2 De eerste was arbeid. Arbeid is alles wat moet gebeuren voor ons levensonderhoud: voedsel telen en bereiden, kleding en servies maken, huizen bouwen en onderhouden, handeldrijven, en allerlei andere economische activiteiten die je kunt bedenken. De tweede was werk. In onze cultuur is dat min of meer een synoniem van arbeid, maar bij de oude Grieken was dat niet zo: voor hen was werk een aparte categorie. In essentie ging werk over het onderhouden van de gemeenschap. Denk aan het opvoeden van kinderen, onderwijs geven, en deelnemen aan religieuze rituelen en de politiek. De derde was recreatie oftewel ontspanning. Hierbij kun je denken aan het bezoeken van culturele evenementen, zoals de beroemde Griekse tragedies en komedies, en deelnemen aan sportwedstrijden, zoals de Olympische Spelen. De vierde was contemplatie: filosoferen, alleen of met vrienden, over het goede leven, over de samenleving en over de natuur.
Hoe beschouwden de oude Grieken deze vormen van tijdsbesteding? Ze beoordeelden arbeid ronduit negatief. Het Griekse woord voor arbeid is zelfs rechtstreeks afgeleid van het woord voor ‘pijn’. Het produceren van goederen en diensten was daarom voor de oude Grieken iets om zoveel mogelijk te vermijden. De consequentie die ze hieruit trokken is: zodra je genoeg hebt om in je basisbehoeften te voorzien, dan stop je subiet met economische activiteiten, zo stelde onder andere de bekende filosoof Aristoteles.3 De burgers van de Griekse stadsstaatjes konden zich dan beter wijden aan een van de drie andere vormen van tijdsbesteding die ze wél positief waardeerden: werk (voor de gemeenschap), recreatie en contemplatie. Die drie vormen van tijdsbesteding gaan namelijk over de ontplooiing van wat ons werkelijk mens maakt: gemeenschapsvorming, wijsheid, spel en verwondering. Anders gezegd: het ontdekken van het goede, het ware en het schone.
Joodse kritiek
Het was een cultureel ideaal waar we nog altijd respect voor hebben en naar opkijken. Denk aan het feit dat gymnasia, theaters en de Olympische Spelen nog steeds bestaan. Maar er was ook een consequentie van dit ideaal waar andere culturen, waaronder de onze, zich zeer kritisch toe verhouden. Dat was het feit dat Griekse, mannelijke burgers grote groepen slaven inzetten om hun vrije tijd mogelijk te maken, en vrouwen, kinderen en zwakkeren in de samenleving als minderwaardig beschouwden. Een religie die daartegen in het geweer kwam was het Jodendom. Het Jodendom vormt al eeuwenlang een kritiek op het superioriteitsdenken en imperialisme van de heersers van deze wereld.4 De unieke Joodse praktijk waarmee ze deze kritiek handen en voeten geven is de sabbat: het gebod om zes dagen al je werk te doen en de zevende dag vrij te houden en te heiligen – apart te zetten – als rustdag. Mannen, vrouwen, zonen, dochters, dienaren, dienaressen, vreemdelingen, het vee en het land: iedereen moet volgens dit gebod op gezette tijden rust krijgen.
Over het essentiële begrip rust schreef Abraham Heschel, een van de bekendste rabbijnen van de twintigste eeuw, het volgende:
Menuha, dat wij gewoonlijk vertalen met ‘rust’, betekent veel meer dan het staken van werk en inspanning, meer dan vrij zijn van zwoegen, zware belasting of welke activiteit dan ook. Menuha is geen negatief concept, maar iets werkelijks en wezenlijk positiefs. Dit moet de opvatting van de oude rabbijnen zijn geweest als zij geloofden dat een bijzondere scheppingsdaad nodig was om haar tot leven te roepen, dat het universum zonder haar onvolledig zou zijn.5
Heschel verwijst hier naar de zevende dag uit het scheppingsverhaal, waarin God de rustdag instelt. Hieruit blijkt dat, anders dan veel mensen denken, niet de mens maar de sabbat de kroon op de schepping is. Bovendien is de Joodse opvatting van arbeid niet puur negatief. Ook maakt het Jodendom, anders dan de Griekse cultuur, geen onderscheid tussen arbeid en werk. Werken kost weliswaar moeite, maar álle werk is intrinsiek waardevol, ook de taken waar mensen (meestal mannen) uit de heersende klasse op neerkijken. De waardigheid van werk betekent dat werk niet per se iets is om te vermijden, maar vooral iets is om in balans te houden met die ene vorm van tijdsbesteding die dat overtreft: heilzame rust. Rust die ons in verbinding stelt met God, de mensen om ons heen, onszelf en de schepping.
Een ander opmerkelijk verschil tussen de Griekse en de Joodse opvatting van tijd en tijdsbesteding is dat in het Jodendom een onderscheid bestaat tussen werken (of arbeiden) en handelen. Werken is het uitvoeren van praktische taken, handelen is het uitvoeren van een gebod uit de Thora, de Joodse wet. Bijvoorbeeld het gebod om God lief te hebben, het gebod om voor je vader en moeder te zorgen, het gebod om elke zeven jaar alle schulden kwijt te schelden, het gebod om naar je naaste om te zien, enzovoort. Werken is gericht op nut en dus nuttig, handelingen dienen niet alleen een praktisch doel maar zijn ook van ethisch belang. Ethische handelingen geven onze tijdsbesteding dus een religieuze betekenis. Zoals rust onze ziel verkwikt en verlevendigt, zo versterken ethische handelingen onze ziel en maken ze ons menselijker.
Een spiegel voor onze tijd
Van zowel de Griekse als de Joodse visie op tijdsbesteding kunnen we vandaag de dag veel leren. Zo vind ik het een prachtig voorbeeld hoe de oude Grieken toewijding aan de publieke zaak stimuleerden, door opvoeding, onderwijs en politieke participatie. En hun waardering voor kunst, cultuur en filosofie zou een welkom tegengif vormen tegen de commercialisering van het leven, door de hedendaagse cultus van werk, consumptie en entertainment. Ook vind ik de Joodse opvatting over het doel en de zin van onze tijdsbesteding schitterend: hoe kunnen we onze tijdsbesteding richten op handelingen die werkelijk van betekenis zijn? En hoe kunnen we bewust tijd vrijmaken voor het verdiepen van onze relaties met God, mensen en de natuur? Wat ik waardeer in zowel de Griekse als de Joodse tijdsopvatting is dat zorg voor kinderen en ouderen, vrijwilligerswerk en andere vormen van vrijwillig bijdragen aan de gemeenschap de waardering krijgen die ze verdienen.
In elk van de opzichten die ik zojuist genoemd heb vormen het Griekse en het Joodse denken een fundamentele kritiek op onze moderne cultuur. Wat schandalig eigenlijk, hoe in een wereld van overvloed en moderne technologie nog steeds zoveel mensen in het mondiale Noorden en Zuiden zoveel uren moeten werken, omdat zoveel welvaart geconcentreerd is bij de rijkste 10 procent aardbewoners. Wat schandalig eigenlijk, dat we de zorgtaken die vooral vrouwen over de hele wereld verrichten en alle andere vormen van zorg voor de gemeenschap in onze cultuur zó onderwaarderen. Wat armoedig eigenlijk, dat we in onze cultuur alleen een onderscheid maken tussen werk en vrije (lege) tijd, met ‘work hard, play hard’ als hoogste culturele ideaal.
Tijd is macht
Het roept de vraag op: hoe is het zover gekomen? En kunnen we er wat aan doen? De Britse arbeidseconoom Guy Standing schreef er een boek over: The Politics of Time. Hij laat zien dat onze tijdsbesteding altijd een door en door politiek onderwerp is geweest, omdat mensen er enorm van kunnen profiteren als ze macht uitoefenen over de tijdsbesteding van anderen. Standing maakt hierbij een onderscheid tussen drie tijdvakken die hij tijdsregimes noemt. Ik vat ze kort en bondig samen.
Het eerste tijdsregime was agrarische tijd, die teruggaat tot de eerste agrarische samenlevingen uit de prehistorie. De tijdsbesteding werd toen gedomineerd door het werk in de landbouw. Omdat het in agrarische samenlevingen voor het eerst mogelijk werd om gedurende een langere tijd voedselvoorraden op te slaan, denk aan graanschuren, ontstond voor machthebbers voor het eerst de mogelijkheid om op grote schaal de tijd van anderen te roven. Door de vruchten van het land of het land zelf van mensen af te pakken en de vruchten van het land op te slaan, kon een sociale klasse leven van het landbouwsurplus en andere dingen doen of niets doen in plaats van werken op het land.
Het tweede tijdsregime is industriële tijd, die teruggaat tot de industriële revolutie. Dit was de eerste keer in de geschiedenis dat de kloktijd het leven van mensen ging domineren. Ook in dit tijdsregime zorgde een scheve machtsverhouding voor grootschalige tijdroof: omdat kapitaalbezitters veel machtiger waren dan arbeiders, konden zij arbeiders dermate lage lonen betalen dat die gedwongen waren om hele lange werkdagen te draaien. Deze misstanden bestaan vandaag de dag nog steeds op grote schaal, waarbij een kleine, wereldwijde groep koop- en kapitaalkrachtigen een grote groep mensen in met name het mondiale Zuiden sterk onderbetaalt, waardoor ze heel veel uren moeten werken.6
Het derde tijdsregime is tertiaire tijd. Het woordje ‘tertiair’ verwijst naar de dienstensector, ook wel de tertiaire sector genoemd. Omdat de meeste mensen in het mondiale Noorden momenteel in de dienstensector werken, geldt voor hen het tertiaire tijdsregime. Op het eerste gezicht lijkt het tertiaire tijdsregime milder dan het agrarische of industriële tijdsregime. Maar Standing merkt op dat werk zo flexibel is geworden en de tijdsdruk zo hoog, dat het mensen onder grote mentale druk zet om ook buiten werktijd om met werkgerelateerde zaken bezig te zijn: je mail beantwoorden, cursussen doen, stukken lezen, enzovoort. Hij noemt werkgerelateerde taken buiten werktijd ‘work-for-labour’.
Verder zijn in onze tijd marketingtechnieken vele malen geavanceerder en vaak gepersonaliseerd, waardoor grote bedrijven in staat zijn om ons precies op onze zwakste plekken te raken, zodat we ons continu inspannen om producten te kopen die we niet nodig hebben. (Aristoteles zou met stomheid geslagen zijn.) Daarbij komt dat sociale media ons ertoe aanzetten om ons voortdurend met anderen te vergelijken, waardoor we in toenemende mate ook onze vrije tijd ‘productief’ moeten besteden, namelijk aan het opdoen van unieke ervaringen die we met anderen kunnen delen. Dit wordt ook wel de belevingseconomie genoemd. De burnoutepidemie en de mentale gezondheidscrisis onder jongeren zijn mede te wijten aan de uitwassen die het tertiaire tijdsregime veroorzaakt.
Het goede leven centraal
Er is één groot verschil tussen het agrarische en industriële tijdsregime aan de ene kant en het tertiaire tijdsregime aan de andere kant: daar waar vroeger de economie ingebed was in culturele en religieuze praktijken, is dat in onze moderne cultuur andersom. Nu is onze cultuur ingebed in de economie en is de economie de dominante kracht in ons waardenpatroon geworden, dat wil zeggen een religieuze kracht.7 Dat verklaart waarom in het verleden, onder veel moeilijker economische omstandigheden, culturele idealen over tijdsbesteding wél standhielden maar in onze tijd niet meer.
Om een hoogstaand cultureel ideaal na te streven, zullen we hiervoor, anders dan in het verleden, uit de dominante cultuur moeten stappen, in plaats van erin
Dat betekent overigens niet dat we onvermijdelijk allemaal ten prooi vallen aan een armoedige, door en door gecommercialiseerde visie op tijdsbesteding. Integendeel: in onze samenleving hebben we gelukkig de vrijheid om in hoge mate zelf te bepalen hoe we onze tijd zien en besteden. Maar om hierbij een hoogstaand cultureel ideaal na te streven, zullen we hiervoor, anders dan in het verleden, uít de dominante cultuur moeten stappen, in plaats van erin.
We zullen bewust moeten kiezen voor leven van genoeg, zodat we in staat zijn om minder te werken en consumeren. We zullen bewust moeten kiezen voor werken aan gemeenschappen en ethische handelingen, zodat we een rijkdom van relaties en betekenis vinden die opweegt tegen de verleidingen van (sociale) media. En we zullen bewust moeten kiezen voor een sabbatsritme met voldoende tijd voor rust, verbinding en contemplatie. En vanuit de kracht die deze keuzes geven zullen we bewust op kleine en grote schaal moeten werken aan verandering van onze cultuur, zodat daarin niet langer de economie maar het goede leven centraal staat.
Paul Schenderling is econoom en schrijver. Zijn meest recente boek is Continent van de Kwaliteit. In De Ongelooflijke Podcast en de podcast Leven na de groei bespreekt hij hoe we vreugdevoller kunnen leven binnen de draagkracht van mens en aarde.
Meer leren over onze wereld en cultuur – door geschiedenis, kunst en geloof? Abonneer je op De Ongelooflijke Substack en ontvang iedere week nieuwe artikelen in je mail. De artikelen blijven gratis, wel kan je vriend van De Ongelooflijke worden om ons werk te steunen.
SCP (2018), ‘Alle ballen in de lucht: tijdsbesteding in Nederland en de samenhang met kwaliteit van leven’.
Standing, G. (2023), The Politics of Time: Gaining Control in the Age of Uncertainty.
Zie de Ethica van Aristoteles.
Zie o.a. De Jong, M. & C. Hoogerwerf, Hemels groen: nieuw licht op duurzaamheid als Bijbels thema. Citaat: “Blijf ver van het heersen om het heersen, want macht omwille van de macht is imperialisme. Dat is waar de Bijbel zich van de eerste tot de laatste bladzijde tegen verzet.”
Heschel, A.J. (1951), De sabbat: zijn betekenis voor de moderne mens, p. 46.
Hickel, J. (2017), The Divide: A Brief Guide to Global Inequality and its Solutions.
Zie o.a. E. Fromm (1976), To Have or To Be.







Mooi beschreven! Aandacht, rust, stilte en tijd om te leven, om oog te hebben voor wat echt waarde heeft. Tevredenheid is ook zoiets, zonder je constant met anderen te vergelijken.
Een welkome uitnodiging tot nadere beschouwing. Dank! Heel boeiend vind ik het om te lezen hoe de oude Grieken en de Joden tijdsbesteding zagen. Wat ik mis is hoe christenen dat zien. Voortbordurend op de te koesteren Joodse opvatting dat het werk weliswaar moeite kost maar intrinsiek waardevol is zou je als christen, beseffend dat je geschapen bent om te werken (vgl Genesis 2,15), je werk kunnen heiligen, door het zo goed mogelijk te doen en af te maken, met liefde, en het dan als offer aan God op te dragen, en aldus ook jezelf en anderen te heiligen. Zo wordt werk niet louter plichtsvervulling, maar zelfs gebed. En werk omvat dan alle tijdsbesteding: de onvolprezen handarbeid, de studie, de ontspanning, ja ook de hobby's.
En om met een gedicht af te sluiten:
Heiliging van het werk
Wie je edel handwerk ziet
en van je arbeidsvreugd geniet
is geheiligd thans en in een ver verschiet
De Heer is algoed en steeds nabij
treedt aan en blaast Uw feestschalmei
loof Hem ambachtsman met uw gerei
Je buigt je ernstig in de studiezaal
over netelige formules verheven taal
de reddende behandeling van een kwaal
De Heer is algoed en steeds nabij
treedt aan en blaast Uw feestschalmei
looft Hem ijverig verdiept in woordenbrij