'De moeite van het sterven waard'
Arnon Grunberg onderzoekt in Ongelooflijke Essay wat het kost om te geloven
Arnon Grunberg, een van Neerlands bekendste schrijvers, is al jaren diep getroffen door het Bijbelse verhaal waarin Abraham zijn zoon Isaak moet offeren. Hij beseft: geloof is een sprong. Maar, zo vraagt hij zich af: durft hij, durven wij, tegenwoordig nog wel te springen? Kunnen we nog offers brengen? In dit exclusieve essay voor De Ongelooflijke onderzoekt Grunberg, langs grote denkers als Kierkegaard en Camus, wat er overblijft wanneer God steeds meer uit onze samenleving verdwijnt. Een Grunbergiaans essay, vol mooie zinnen en diepe gedachtes. “Een leven zonder enige vorm van geloof, het illusieloze leven, mag amper leven heten.”
In De Ongelooflijke Podcast aflevering #288 spreken we Arnon Grunberg naar aanleiding van dit essay.
Zes jaar geleden was ik gastschrijver aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, onderdeel van dat gastschrijverschap was het schrijven van een essay en ik besloot over het offer te schrijven dat God van Abraham verlangt, een offer dat Abraham brengt én niet brengt.
Voor een expositie over geloof die in diverse musea in Nederland te zien zal zijn, om te beginnen in Museum Gouda, koos ik dan ook een beeld uit de zestiende eeuw – de maker is onbekend – van dit offer dat niet werd gebracht. De linkerhand van Abraham rust op het hoofd van zijn zoon, de rechterhand is in de lucht, een vuist. Het mes ontbreekt.
Wat voor een god eist een kind als offer? Wat voor vader offert zijn zoon?
Wat voor een god eist een kind als offer? Wat voor vader offert zijn zoon? Die vragen zijn mij blijven bezighouden. En wij weten, ik weet, dat het niet alleen goden zijn die dergelijke offers eisen en dat het niet alleen goden zijn aan wie vaders gehoorzamen.
Blinde gehoorzaamheid heette dat essay dat ik voor de VU schreef en de Deense filosoof Søren Kierkegaard mocht daarin niet ontbreken. Kierkegaard leefde van 1813 tot en met 1855, de filosofische vragen die hij stelde zijn filosofen in de twintigste eeuw blijven bezighouden.
Onder het pseudoniem Johannes de Silentio deed Kierkegaard in 1843 Vrees en beven verschijnen. De tekst is een lange, meanderende verhandeling over Abraham en Isaak, over offeren en geloven, over de juiste en minder juiste interpretaties van dat Bijbelverhaal. En ook over de vraag waarin het offer voor God verschilt van een offer voor de staat of voor een heerser. Kierkegaard was daar nogal uitgesproken over: het mensenoffer dat staat of heerser van je vragen is een tweederangsoffer.
Daarnaast is Vrees en beven een autobiografische tekst over een cruciale gebeurtenis in het leven van Kierkegaard. Over zijn verloving met Regine Olsen en het verbreken van die verloving.
Kierkegaard zelf verloofde zich in 1840 met Regine Olsen. Een jaar later verbrak hij de verloving. Hij is obsessief over de verbroken verloving blijven schrijven. Op 17 mei 1843 noteerde hij in zijn dagboek: “Indien ik geloof had gehad, dan was ik bij Regine gebleven.”
En in Vrees en beven, in de context van Abrahams offer noteert Kierkegaard:
“Ik geloof dat ik haar toch krijg, krachtens het absurde, krachtens het feit dat voor God alle dingen mogelijk zijn.”
Alles is mogelijk, maar alleen voor God, nu slechts hopen dat God van alle mogelijkheden het juiste, het wenselijke werkelijkheid laat worden.
Wat moet je geloven?
Iemand die veel Kierkegaard heeft gelezen was de Franse filosoof Albert Camus. Zonder Kierkegaard, durf ik te zeggen, hadden we een andere Camus gehad. En de Søren die verliefd is op Regine, haar wil, en toch zijn verloving met haar verbreekt duikt wat mij betreft ook weer op in dit citaat van Camus: “De mens is het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is.” Dat schrijft hij in zijn essay De mens in opstand.
Camus haalt de Griekse filosoof Epicurus erbij die meende dat de ellende van de mens voortkwam uit het feit dat hij niet kon ophouden te hopen, hoe knus en beschut hij ook zit, waardoor hij voortdurend de ‘omwalling’ van zijn burcht opvliegt om uit te kijken naar zijn verlosser. Hoe je de ellende die daaruit voortvloeit kunt voorkomen? Binnenblijven en minder verwachten, zegt Epicurus.
Ongetwijfeld wijs, maar is de menselijke psychologie opgewassen tegen dergelijke wijsheid? Ik twijfel. En een leven zonder enige vorm van geloof, het illusieloze leven, mag amper leven heten, zoveel was mij allang duidelijk. Ik schreef er in 2003 een roman over, De asielzoeker.
Ook Camus zag in dat het vergeefs is de mens op de vergeefsheid van zijn hoopvolle streven te wijzen, al is het begrijpelijk dat sommigen het toch niet kunnen laten de mens zijn eigen vergeefsheid in te wrijven. Mensen rennen niet alleen hun burcht uit in de hoop op redding, soms steken ze hun burcht om diezelfde reden in brand. En anders steken ze wel hun verloving in brand.
Een leven zonder enige vorm van geloof, het illusieloze leven,
mag amper leven heten, zoveel was mij allang duidelijk.
Als we de mens willen helpen leven, dan moeten we de verlokkingen van het illusieloze leven weerstaan. De vraag die er vervolgens toe doet is: wat moet je geloven? Voor wie moet je de poort van de burcht opendoen? Wie al te snel gelooft wordt terecht naïef genoemd. De goedgelovige staat niet ver af van de sukkel. Bedriegers en valse messiassen zijn onder ons, geloof de man in nood die voor de deur staat niet. Zijn nood is geveinsd. Al wat hij wil zijn uw sieraden.
Misschien vrezen de mensen die menen dat asielzoekers en migratie het grote probleem vormen van deze tijd hun eigen goedgelovigheid nog meer dan al het andere.
Hoe geloof je het juiste?
Evangelisten die ik in 2018 in het Zuidwesten van Amerika sprak voor een reportage over God in Amerika meenden dat je de Bijbel moet geloven, maar wel in de juiste vertaling. Alleen de King James Bijbel kon geloofd worden. Het blijft moeilijk te verkroppen dat je geloof ontspoort vanwege een vertaalfout.
Naast de evangelische heb je de liberale overtuiging dat iedereen maar zijn eigen illusies moet kiezen, zolang die illusies de illusies van anderen een beetje heel laten. Debatteren mag, schelden mag ook geloof ik, vernederen desnoods, maar moord en doodslag liever niet.
Probleem van het liberalisme is dat mensen niet in hun eentje met hun illusies opgescheept willen zitten. Ze willen hun illusies delen, ze willen gemeenschappen vormen om samen weg te zinken in identieke illusies en zo hopen ze van hun twijfel verlost te worden. Al spreken psychologen en sociologen vervolgens graag over groepsdruk, misschien ook omdat ze hun medemens die verlossing net niet helemaal gunnen.
Er was een tijd dat ik dacht dat je mensen moest vragen: ‘Waarvoor bent u bereid te sterven?’ Maar ik denk nu dat de betere vraag is: ‘Wat zijn uw illusies? Hebt u ze nog? Behoeven ze onderhoud zoals auto, lichaam en huis onderhoud behoeven?’
In een voorwoord bij Vrees en beven heeft Kierkegaard het erover dat geloven een vaardigheid is. Zoals autorijden, denk ik. Of fietsen, appeltaart bakken, paardrijden. Zeg niet dat je het niet kan, gewoon even doorgaan met oefenen. Wie niet gelooft heeft kennelijk niet genoeg geoefend. Al zou je kunnen opmerken dat veel mensen die beweren wel te geloven ook nog even zouden mogen oefenen.
Als ik mijn illusies amper van de niet-illusies kan scheiden, als ik vermoed dat ik geloof, maar geen enkele houvast heb dat ik het juiste geloof, hoe moet ik dan precies leven? Als alles waaraan ik houvast ontleen een vergissing kan zijn, hoe kan ik mijzelf dan als iets anders dan een potentiële vergissing zien?
De mens die naarstig illusie wil scheiden van niet-illusie, de waarheid wil kennen en de werkelijkheid wil doorgronden, moet zich van allerlei zekerheden beroven. In naam van zijn zoektocht prikt hij zijn rubberbootje zelf lek, om zich vervolgens vast te grijpen aan wat er over is van dat bootje. Maakt het dan nog uit waarvoor ik mijzelf of een kind geofferd heb? Of het voor een goddelijke of voor een maatschappelijke vergissing is, voor zover die twee in deze context te scheiden zijn?
De vrijheid was een woestijn
Kierkegaard meent dat de sprong in het absurde voltooid moet worden. Omdat God alles kan, kan het. Het leven zelf is een absurditeit, maar spring dieper in het absurde, spring de absurditeit in die geloof heet, opdat de ene absurditeit de andere opheft.
Wie meent dat de vraag of God bestaat of niet de kernvraag is van het geloven, stelt zich op het standpunt dat leven zelf weinig meer is dan pakjesavond. Dingen hoeven niet te bestaan om enorme consequenties te hebben voor mensen en een wereld die wel bestaan.
Als ik mijn illusies amper van de niet-illusies kan scheiden, als ik vermoed dat ik geloof, maar geen enkele houvast heb dat ik het juiste geloof, hoe moet ik dan precies leven?
Camus zegt het zo: “Een nihilist is niet iemand die nergens in gelooft, maar iemand die niet gelooft in wat is.” Daarin lijkt de nihilist op de idealist, die misschien wel gelooft in wat is maar dat zo onaanvaardbaar vindt dat wat is moet worden afgeschaft om plaats te maken voor wat zou moeten zijn.
Het christendom van Kierkegaard was voor Camus geen reden zijn oren dicht te stoppen, hij vroeg zich alleen af: Wat als God er niet is? Waarin springen we dan precies? Zonder meester is het eenzaam, wist Camus. De mens mocht zich dan van ‘God en morele afgoden’ bevrijd hebben, wat voor hem lag was de woestijn. De vrijheid was een woestijn zelf, al houdt Camus (met Nietzsche) de mogelijkheid open dat uit absolute wanhoop ‘oneindige vreugde’ zal opwellen.
De enige vooruitgang is achteruitgang
Enthousiasme gebaseerd op het vermoeden dat leven nog altijd beter is dan dood zijn. Hiervoor krijg je niet de handen op elkaar, vrees ik. Het medicijn van Epicurus, binnenblijven in de burcht, mag dan onmenselijk zijn, zijn constatering dat mensen hun omwalling op blijven rennen om te kijken of de verlossing al is gearriveerd lijkt me, als gezegd, adequaat.
Uit het christendom is de gedachte voortgekomen dat geschiedenis het verhaal is van de vooruitgang, culminerend in een staat van zijn waar alle vooruitgang overbodig is. Wie het paradijs heeft betreden hoeft niet meer vooruit, de enige vooruitgang die daar bestaat is achteruitgang: het paradijs uitgejaagd worden.

Zo is ook het prachtige aforisme ontstaan: “Een zondaar heeft een toekomst nodig, de heilige een verleden.” Waarmee de hele westerse kijk op de geschiedenis is samengevat.
Uit de smeulende resten van onze zonden worden de heiligen van de toekomst gecreëerd.
Of in de woorden van Camus: er was een tijd dat mensen stierven “uit naam van wat ze wisten of meenden te weten”. Niet meer. Daarna moest men zich offeren voor iets “waarvan niets bekend was, behalve dat men moest sterven om het tot stand te brengen.”
“Een zondaar heeft een toekomst nodig, de heilige een verleden.”
Camus verwijst hier naar de twintigste eeuw, de tijd dat de mens zijn eigen schepper is geworden en het verschil tussen schepsel en schepper teniet is gedaan. Zo kan hij noteren dat elke revolutionair ‘als onderdrukker’ eindigt, ‘of als afvallige.’ Het geloof dat de revolutie de betere wereld voort zal brengen heeft Camus niet meer, hij vreest en met recht, dat de revolutie vooral lijken zal produceren.
Een soortgelijk mechanisme zien we in een totalitaire staat, waarin het gedood worden door die staat het bewijs is voor de schuld van de dode. Denk aan de twee Amerikaanse burgers die in Minneapolis door ICE zijn doodgeschoten. De vertegenwoordigers van de staat hadden het al snel over ‘binnenlandse terroristen.’
Het doodgeschoten worden was executie en bewijs voor schuld ineen.
Een sprong in een pierenbadje
Zo is in een universum waarin de mens zich bevrijd heeft van zijn meester de bereidheid te sterven of de bereidheid te offeren wat men liefheeft, of wat men haat, het bewijs dat de zaak de moeite van het sterven waard is. Alleen wie meent al in het paradijs te verkeren, zou tot de conclusie kunnen komen dat ieder mensenoffer afgodendienst is. Waarvoor sterven als we al in het paradijs zijn?
Het klimaatprotest behelst niet meer, en ik bedoel dit geenszins badinerend, dan het behoud van het leven zelf, niet alleen van het menselijke maar ook van andersoortige leven. De betere wereld bestaat uit het naakte leven.
‘Welk offer hebt u gebracht voor de betere wereld?’ ‘Ik heb al een jaar niet gevlogen en koop al twee jaar uitsluitend tweedehandskleding.’ Het kan hoor, en ook hier geldt, wie ben ik om er badinerend over te doen? Maar als dit de weg naar zingeving is, en daar hebben we het uiteindelijk over, dan constateer ik wederom dat van Kierkegaards diepe sprong in het absurde weinig overbleef. Een sprong in een pierenbadje waarin ook nog eens water ontbreekt om uitglijden te voorkomen.
De betere wereld bestaat uit het naakte leven.
Is dit nu een pleidooi om terug te keren naar de wereld van meesters en zekerheden waarin vermoedelijk al betonrot was geslopen? Welnee. Zoals een mens niet bewust kan vergeten, zo kan een cultuur dat ook niet. Wat eenmaal ontmaskerd is, is moeilijk weer te maskeren.
Camus probeert de opstand, wetend dat de mens niet anders kan dan afwijzen wat is, te behoeden voor het naakte geweld waar de totale vrijheid altijd weer op uitloopt. De totale vrijheid is niet meer begrensd door de vrijheid van de ander, het is een grenzeloze duizeligmakende vrijheid.
“De opstand stelt de totale vrijheid aan de kaak”, schrijft hij.
Helaas weten we dat de opstandelingen vaak ook slechts de totale vrijheid van hun tegenstander aan de kaak stellen, om hun eigen totale vrijheid beter te omarmen.
Verwend en verweekt
Ik heb dit nog niet geschreven of ik lees in de Volkskrant dat opinieonderzoeker Peter Kanne een boek heeft geschreven getiteld Lang zal ik lekker leven. In een gesprek met Wilma de Rek uit hij zijn zorgen over Nederlanders die ‘verwend en verweekt’ zijn.
Hij zegt: “Maar de bereidheid onder jongeren om te vechten is nu lager dan ooit. Dat is zorgwekkend. Net als het gegeven dat mensen steeds minder gezag tolereren. Maar in een oorlogssituatie zul je dat wel moeten doen.”
Maar ook hij heeft een boodschap om niet te zeggen, een remedie: “Denk na en handel.”
Zijn grootste ergernis betreft overigens de elektrische fiets. Om misverstanden te voorkomen: ik heb geen elektrische fiets, ik heb momenteel helemaal geen fiets.
Denk na, handel en tolereer gezag, zegt Kanne.
Mooi gezegd. De totale vrijheid is op uiterst toegankelijke wijze aan de kaak gesteld. Maar wat voor geloven geldt, geldt voor gezag tolereren: welk gezag wel tolereren en welk gezag niet?
God wordt getolereerd, nog net.
Gelooft u in God?
Wat een onzinnige vraag.
Ik tolereer Hem. Wat wilt u meer van me?
Dat is de vraag die we zouden moeten stellen. Tolereert u God? Tolereert u uw buurman met zijn God?
Ik zei het al, de sprong in het diepe is een sprong in het pierenbadje geworden. Geen wonder dat er verlangd wordt naar werkelijke sprongen met bijhorende offers.
De verweekten en de verwenden, het zijn weer altijd de anderen. Ik ben, het zal niemand verbazen, liever verweekt dan dood.
Natuurlijk ben ik niet de enige. We sterven liever in bed dan op het slagveld, in een Parijse taxi sterven lijkt me eigenlijk wel mooi, maar sterven blijft sterven en voor het zover is krabben we ons nog even achter het oor: wie was onze vijand ook alweer?
De tentoonstelling ‘Geloof’ is vanaf dit weekend te zien in Museum Gouda. Drie bekende denkers met verschillende achtergronden stelden de tentoonstelling samen: schrijver Arnon Grunberg, mensenrechtenjurist Naema Tahir en columnist en presentator Stephan Sanders. Zij kozen ruim veertig kunstwerken die hen persoonlijk raken en elk een ander aspect van geloof laten zien.
Meer horen?
De Ongelooflijke Podcast #288 – Kunnen we nog offers brengen? Arnon Grunberg over geloof, de sprong en het pierenbadje
De Ongelooflijke gaat weer live! Donderdagavond 26 maart zijn we – Stefan en David – in theater Flint in Amersfoort. Te gast is journalist en antropoloog Joris Luyendijk. Zien we je daar? Bestel tickets via eo.nl/ongelooflijke.
Meer leren over onze wereld en cultuur – door geschiedenis, kunst en geloof? Abonneer je op De Ongelooflijke Substack en ontvang iedere week nieuwe artikelen in je mail. De artikelen blijven gratis, wel kan je vriend van De Ongelooflijke worden om ons werk te steunen.












Dank voor het essay en het mooie interview. Tijdens het luisteren moest ik denken aan Story of Isaac van Leonard Cohen, waarin hij hetzelfde thema van offeren voor een hoger doel raakt. Het nummer schreef hij ten tijde van de Vietnamoorlog.
‘You who build these altars now
to sacrifice these children
you must not do it anymore
a scheme is not a vision
and you never have been tempted
by a demon or a God’
Liefde is een offer en een offer uit. Liefde maakt de mens echt gelukkig. Het is ook een WERKWOORD ! Dit citaat is afkomstig van de stichter van het opus dei
Het citaat verwijst naar Josemaría Escrivá (1902–1975), een Spaanse priester en de stichter van Opus Dei. Hij werd geboren in Barbastro, studeerde theologie en rechten, en richtte in 1928 Opus Dei op met de overtuiging dat ieder mens heiligheid kan bereiken door zijn dagelijkse werk en gewone leven aan God op te dragen.